13 + 5 = Hoezee

Gisteravond was het Gala van het Fantastische boek. Een buitengewoon gezellige dag, met ’s middags diverse panels en ’s avonds de uitreiking van de Paul Harland Prijs. Mijn twee ingezonden verhalen haalden allebei de top 25. Het grootboek, een Lovecraftiaans griezelverhaal, eindigde op de 13de plaats. Kiki, een geëngageerd zombieverhaal behaalde de 5de plaats. Daar ben ik erg blij mee. Wie ze wil lezen moet nog even geduld hebben; ik ga ze de komende tijd aan tijdschriften ter publicatie aanbieden.

Aan de vooravond van een gala

2015-02-01 10.35.50

Morgen is het Gala van het Fantastische boek. Gala is een breed begrip; je mag er zelf invulling aan geven. Ik ga niet in smoking, maar wil wel in pak. De meeste van mijn pakken zijn echter gesneden op mijn figuur van anderhalf jaar geleden (en toen was ik minimaal tien kilo zwaarder). Dus toch maar even naar de stad getogen en goed geslaagd bij Hoogenboom. Trouwe lezers en vrienden weten dat ik die zaak een warm hart toedraag. We kochten er destijds onze trouwpakken en de zaak dient voor één scène als decor in Het lichte hart van de mastodont. De heren verkopers verstaan er de kunst je direct op je gemak te stellen en om je na één oogopslag een passend jasje of overhemd aan te reiken.

Maar morgen het Gala dus, met tal van onthullingen. Ik ben benieuwd wat organisatoren Martijn Lindeboom en Thomas Olde Heuvelt voor ons (schrijvers en lezers van de fantastische genres) in petto hebben. Ik voorzie nieuwe samenwerkingsverbanden, activiteiten waar meer en meer de lezer bij betrokken wordt en vooral een opzet die bestand is tegen groei, want het genre zit in de lift en dat vraagt om het voortdurend aanpassen van je formule. Ik ben benieuwd en laat me graag verrassen.

Waar ik persoonlijk natuurlijk ook erg benieuwd naar ben is de uitslag van de Paul Harland Prijs. Ik zond, gewoontegetrouw, twee verhalen in. Tot nu toe was dat altijd één serieuze inzending en een inzending met een wat experimenteler karakter. Met de serieuze inzending kwam ik in ieder geval iedere keer door de eerste jury-selectie en haalde ik één keer een top 5 notering. Mijn meer experimentele inzendingen leverden me één keer een eervolle allerlaatste plaats op en twee keer de hoogste notering van de verhalen die niet doorgingen naar de tweede ronde.

Ik heb natuurlijk mijn pijlen opnieuw gericht op een top 5 notering. In een onbewaakt moment heb ik al eens geroepen dat ik net zolang mee doe tot ik een keer win. Maar als ik mijn doelen iets minder ambitieus, maar haalbaar-realistisch stel, dan ben ik morgen ook al heel erg blij als ik voor het eerst met twee verhalen door de eerste selectie heen kom. Gezien het aantal inzendingen en het doorgaans sterke deelnemersveld zou dat al een hele mooie prestatie zijn.

En verder wordt het natuurlijk gewoon een hele gezellige en interessante dag (lees het programma hier). De middag is vrij toegankelijk, dus: komt allen! Ik meen dat Stephen King ooit zei; ‘En onder genreschrijvers is het altijd gezellig en gemoedelijk. Geen kift en naijver, zoals bij die zuurpruimen in de literaire hoek.’ Ik moet eerlijk bekennen dat ik het citaat niet kon terugvinden, dus misschien was het Neil Gaiman wel. En hij zal het in ieder geval in het Engels gezegd hebben. Hoe dan ook: die gemoedelijkheid is altijd verzekerd, en hopelijk blijkt vooral die de komende jaren bestand tegen groei.

Een welkome gast uit het verleden

Bespreking van ‘Verschrikking uit het verleden’ van Julien Raasveld.

De Stichting Fantastische Vertellingen bestaat sinds 1979, maar maakt de laatste jaren een opleving door. Met de opmars van het print-on-demand drukken kunnen uitgaven voor een breed publiek beschikbaar worden gemaakt die voorheen wellicht in de archiefladen tot stof zouden vergaan. Het fonds bestaat uit een mengeling van jong en miskend talent. Julien C. Raasveld (1944-2013) behoort tot die laatste categorie. Verschrikking uit het verleden is een niet eerder verschenen, nagelaten vertelling, die nu aan de vergetelheid is ontrukt. Gelukkig maar.

Raasveld schreef tijdens zijn leven tientallen korte verhalen, die ondermeer verschenen in het mannentijdschrift Maxi Hoho en de Ganymedes-bundels. Daarnaast deed hij vertaalwerk en schreef hij onder meerdere pseudoniemen pulpromans. Die leerschool zie je terug in deze novelle.

Verschrikking uit het verleden wordt gepresenteerd als kasteelroman. Voor de goede orde: daarvoor hoeft er geen kasteel in voor te komen. Het verhaal speelt in de Belgische Ardennen en is een pulproman waarin gretig gebruik wordt gemaakt van de basiselementen van griezel-romantiek: onschuldige jonge vrouwen en ondode monsters. Het verhaal begint lang geleden, met een druïde die zich wat al te graag aan jonge meisjes vergrijpt. Voor straf wordt hij levend begraven. Een paar millennia later komt hij tot leven als een jonge vrouw haar maagdelijkheid op zijn graf verliest. Dat is het begin van een serie gruwelijkheden die uiteindelijk uitmonden in een moeizame klopjacht op het monster. Het verhaal is eenvoudig maar effectief. In zijn lichtheid is het perfect. De zinnen vloeien. De scènes spatten van het papier. Bloed en brute mishandeling zijn plastisch maar binnen smaakvolle grenzen beschreven. En Julien Raasveld laat met een buitengewoon vaardige pen zien hoe je een verhaal met wisselend perspectief kunt vertellen. Je kijkt steeds door de ogen van één van de personages mee en daarmee wordt het verhaal aanstekelijk en zorgvuldig opgebouwd. De bundel is verrijkt met een biografische schets, geschreven door Eddy C. Bertin, en met een beknopte bibliografie.

Het is lekker griezelen zonder al te veel diepgang. Het lijkt bijna bedoeld als genrepastiche, maar uiteindelijk blijkt het precies wat het pretendeert te zijn: een echte kasteelroman. In die hoedanigheid overtuigt het zondermeer en zijn alle elementen in evenwicht. Met een prijs die onder de tien euro blijft, is het een boekje dat de liefhebber van een avond zorgeloos griezelen niet mag laten liggen.

Verschrikking uit het verleden is verkrijgbaar via de webwinkel van de Stichting Fantastische Vertellingen.

Deze bespreking verscheen op hebban.nl

Follow my blog with Bloglovin

Ganymedes 14 – staalkaart van de fantastiek in de Lage Landen

jaarboek-ganymedes-14

Ganymedes is een sinds vorig jaar herrezen reeks jaarboeken die een staalkaart vormen voor de fantastische genres in de lage landen. Vorig jaar besprak ik alle verhalen in de bundel. Dit jaar bespreek ik de bundel, min één verhaal, dat van mijzelf. Ik laat het oordeel daarover graag aan anderen over.

Eerst over de bundel als geheel. Op de omslag prijkt wederom een schilderij van de onvolprezen Vincent van der Linden. Het geeft het boekje een aantrekkelijke, welhaast chique uitstraling. Als lezer word je over de rode loper de fantastiek binnen gevoerd. Een andere sympathieke karakteristiek is het formaat. Klein en handzaam, als een zakbijbel. Van precies dezelfde hoogte als vroegere uitgaven van Bruna. De delen prijken in mijn kast naast de FeH serie.

De verzameling verhalen vormt een bont, maar prachtig geschikt boeket. Zowel de aard als de lengte van de verhalen was afwisselend. Geen moment ontbrak bij mij de zin om nog een verhaal te lezen, wat me bij verhalenbundels nogal eens overkomt. Dat is een heel goed teken; in mijn beleving zit er dit jaar geen enkele zwakke broeder tussen. Ik sluit me dan ook volmondig aan bij de woorden op de omslag; ‘de traditie van het jaarboek is in ere hersteld’.

Wie zichzelf wil trakteren op een portie vervreemding en fantasie, schaffe dit jaarboek aan.

 

Hieronder een beknopte bespreking van de verhalen;

Paarse waas – In dit verhaal laat Jan J.B.Kuipers zien hoe al wat goed is aan een verhaal in harmonie kan samenvallen. Eigen stijl, mooi idioom. Het doorlopend verwijzen naar de kleur paars. Ik houd daarbij erg van verhalen met een kleine setting; in de woonkamer of de keuken. Dit verhaal is af. (En ik krijg graag eens het telefoonnummer van de esoterische hulplijn).

Van Leo Mesman zijn drie gedichten in de bundel opgenomen. Ik ben daar erg blij mee; het is een aangename afwisseling van de verhalen. Van mij mag er nog wel wat meer fantastische poëzie geschreven worden.

Geloof, hoop en vaderlandsliefde, Nienke Pool – de nogal potsierlijke titel zette het verhaal voor mij even op achterstand. Door de met zeer veel gevoel voor historie beschreven setting en de mooie personages werd ik vervolgens echter verleid. Het is boeiend en origineel. De scènes waren soms wat kort, de wisselingen en de witregels vielen niet altijd helemaal lekker. Het verhaal is vrij filmisch, met oog voor fysieke details en handelingen beschreven. Daardoor hield ik het gevoel dat het verhaal eigenlijk wat te kort was, met meer woorden komt die vertelstijl nog wat beter tot z’n recht. Ik vermoed dat dit materiaal is voor een novelle of een roman. En dat zou ik helemaal niet erg vinden.

Het oostblok, Kilian McNeil. Ik houd van dystopische verhalen. Met een homo-element pak je me ook al snel in. Ik heb het verhaal met veel plezier gelezen. Ik heb me wel afgevraagd: is dit nog ‘fantastisch’. Heel veel in het verhaal is ‘gewoon’ realistisch, waaronder de behandeling van de homo-liefde, en de surpressie daarvan. Dat is eigenlijk jammer, want de wereld is heel mooi beklemmend, maar door de homo thematiek word je afgeleid van wat er eigen en bijzonder aan de wereld is. Het einde was me iets teveel een deus ex machina.

Koud vuur, Saskia van Oostenrijk – En dan zit je ineens in een aflevering van ‘hero’s’ of the ‘4400’. Nee, daarmee doe ik het verhaal tekort. Het is eigenlijk een coming of age verhaal; een verhaal van ontdekking en ontluikende liefde. Ik vind dat altijd heel plezierig, als er onder alle fantastische toeters en bellen gewoon een mooi verhaal over menselijke relaties schuilgaat. Ik twijfelde nog even aan het verteltempo (eerst wat traag, daarna wat snel), maar moest uiteindelijk concluderen: alles aan dit verhaal is goed.

De laatste triatlon van Brussel, Frank Roger – Zo’n verhaal laat mooi zien dat een schrijver die veel ervaring heeft ook met een verhaal dat in z’n opzet onevenwichtig is, de lezer helemaal kan overtuigen. De eerste helft beschrijft vol vaart de bewuste triatlon. Stilistisch knap; ritmisch sterk. In de tweede helft vertraagt de handeling en wordt de toon welhaast beschouwend. Het verhaal kan dat goed hebben; het is alsof je ook als lezer nog even nahijgt en tot bedaren komt. Goed geschreven. Mooie wereld. Sterk concept.

De doos van Hallicarnassus, Mike Jansen& Michael Blommaert – In het verhaal wordt een alternatieve 19de eeuw beschreven, waarin elementen uit de Griekse Oudheid tot de realiteit van alledag behoren. Misschien is het steampunk, maar dan wel met een twist. Het gegeven is ijzersterk. Een boeiende wereld, waar ik best meer in zou willen lezen. De eigenheid die de wereld heeft, mis ik op stilistisch vlak en ook redactioneel waren er wat haakjes die me afleidden. De plot en de handeling lezen als het verslag van een spannend rpg-avontuur. Geweldig verhaal en sfeer, maar ik mis finesse in het proza. Misschien ben ik te kritisch en moet ik er niet meer van verwachten dan gewoon een spannend verhaal. Maar dan zijn er een paar mooie aanzetten naar persoonlijk drama en de achtergrond van de hoofdpersoon. Die beloven me iets dat niet wordt ingelost. Het einde is nu James-Bond-achtig, veel spektakel, weinig inhoud. Ik had liever de spanningsboog op personageniveau beter afgerond gezien.

Tesla’s droom, Robbert Jan Swiers – Tesla is een mooi figuur om iets mee te doen; ik kom hem de laatste tijd vaker tegen. Concept van het verhaal is goed. Heb genoten van de schrijfstijl.

De grote dag – Paul van Leeuwenkamp. Wat moet ik hier over zeggen? Je herkent in het beschrevene natuurlijk direct de Paul Harland Dag. Maar is het een soort sleutelroman, een persiflage of een hommage? Ik kom er niet goed uit en dat vind ik heel fijn. Aptum, chapeau!

Melancholie, Guido Eekhout – De titel dekt de lading perfect: een mooi melancholisch verhaal, over afscheid en afsluiten. Geschreven op een lichte toon, die veel ruimte laat om als lezer te fantaseren en associëren. Het verhaal is afgerond, maar voelt gelijktijdig als een fragment, een doorkijkje naar een groter verhaal en een langere geschiedenis, waar ik bij voorbaat al met weemoed aan terugdenk.

De thuisreiziger – De herkenbaarheid van zijn eigen universum en het daaraan verbonden idioom vind ik een van de unieke kwaliteiten van Remco Meisner (naast zijn niet aflatende inzet voor de fantastiek en het Ganymedes jaarboek in het bijzonder, natuurlijk). Ik begon aan de thuisreiziger en direct voelde ik mij op mijn (relatieve) gemak in die wereld. Mijn leeservaring van vorig jaar stond me meteen weer scherp voor ogen en alsof er geen jaar verstreken was, liet ik me meevoeren. De verteltrant was deze keer rustiger, coherent, waardoor ik meer kon genieten van de stijl en dichter bij de hoofdpersoon kwam.

Heldendood, Hester Stasse – Een moderne versie van Nederland, waar middeleeuwse verhoudingen (schildknapen incluis) bewaard zijn gebleven. Een plezierige mix van ingrediënten en een aardig, verrassend einde. Mij bekroop wel het gevoel dat het aan kracht zou winnen als het iets korter was, of als de wereld en de personages meer werden uitgewerkt.

De ijzerman van Bochem, Reinold Widemann – Heel mooi gekozen namen en juist gedoseerde Duitse zinnetjes brengen dit verhaal direct op smaak. Het perspectief dat constant dicht bij de hoofdpersoon blijft, maakt je nieuwsgierig, voert je mee met een mysterieuze expeditie. Of er nu eigenlijk een clue of een ontknoping was is me ontgaan, of al te snel ontschoten, maar wat me lang bijbleef was de toon, de smaak van het verhaal.

Toen mama in zijn neusje kneep, Jos Lexmond – Het is een goed verhaal, of in ieder geval met goede ingrediënten, maar het hinkt op teveel gedachten. Een cowboy zoekt zijn heil op een nieuwe planeet. Beschrijvingen van zijn nieuwe situatie worden afgewisseld met zijn herinneringen aan aarde en de reden waarom hij daar vertrok. Beide zijn sprekend, maar ik mis soms een vloeiende verbinding tussen die twee. Het wil maar niet één verhaal worden. Aan het einde krijgt een soort van verrassende plotontknoping de overhand, die voor mij niets toevoegt, eerder een anticlimax vormt.

De strijd van drakenvrouwe Tanree, Fred Rabouw – Ik vond het erg leuk dat er naast alle fantastische curiosa ook een ‘echt’ fantasy verhaal op een epische leest de bundel heeft gehaald. Ik houd daar erg van. U weet wel, met draken en zo. Zeker het gevecht aan het begin is knap beschreven. Ik voelde me even weer 12 met een Biggles-boek op schoot. Fred Rabouw weet gelukkig verdieping te geven aan de vaak gebruikte stijlkenmerken. De strijd die vrouwe Tanree voert is uiteindelijk niet de fysieke strijd met de draak, maar de strijd om haar positie en de strijd met haar innerlijke dilemma’s. Een mooi, degelijk verhaal.

De geur van engelse drop, Ef Leonard – Goed geschreven verhaal dat je onder de huid kruipt. Het enige wat er mis mee is, is wellicht de plek in de bundel. Ik had het zelf gebruikt als hekkensluiter, ook omdat het thematisch een paar parallellen heeft met het openingsverhaal. Ben ik een kniezoor als ik dat zeg? Ja, een beetje…sorry.

Het temperen van de vlerk – Aanstekelijk verhaal in een steampunk setting. Zowel het taalgebruik als de situaties zijn op het karikaturale af. Dat leest heel lekker weg. Er waren wat zaken die me afleidden. Een handvol anglicismen. En het verhaal wordt onderverdeeld in hoofdstukjes en onderbroken door krantenkoppen en –artikeltjes. Dat haalde me wel een beetje uit mijn ‘leesflow’. Volgens mij kan je die informatie beter in vloeiend lopend proza verwerken.

 

Tot slot een paar overwegingen;

  • – Veel meer mannen dan vrouwen in de bundel. Dat is volgens mij geen goede afspiegeling van het schrijfveld en de kwaliteit die daar in aanwezig is. Zenden vrouwen minder in, of richten ze zich op andere media dan de Ganymedes bundel? Lijkt me iets om te bewaken.
  • – De bundel is lekker veelzijdig. Mij valt op dat veel verhalen niet onder één noemer te vangen zijn. Veel mengvormen, met een heel eigen toon en wereld. Op zichzelf ben ik daar blij mee; die eigenheid is de kracht van veel schrijvers. De valkuil kan zijn dat er daardoor minder focus in de verhalen optreed. Je valt als lezer van de ene verbazing in de andere, maar waar gaat het nou eigenlijk over? Het opwekken van griezel-angst is er niet meer bij. Echte focus op sci-fi als ideeëngenre is er maar sporadisch. Zelfs de veelgenoemde sense of wonder ontbreekt bij sommige verhalen. Het worden bijna ‘gewone’ dramatische of avontuurlijke verhalen, met een fantastiek sausje. Dat is het moment waarop ik hoop dat mijn collega schrijvers heel bewust weten wat ze doen, wat ze willen bereiken met een verhaal. Ik houd er van als onder het sausje een gedegen of zelf literaire vertelling schuilgaat. Maar de saus moet wel iets wezenlijks blijven toevoegen. Ik ben benieuwd hoe die balans bij volgende bundels uitvalt.

 

Tot zover mijn gedachten. Op naar Ganymedes 2015.

Ergens halverwege het lange wachten

WP_000135

De Paul Harland Prijs blinkt uit in hoeveel werk er wordt gemaakt van het jury-rapport. Dat heeft wel een keerzijde. Nadat je je verhalen netjes voor 1 juli 2013 hebt ingeleverd is het wachten tot begin 2014 op de uitslag. Daarmee gaat een deel van het leereffect wellicht verloren. Uit mijn dagen als opleider meen ik me te herinneren dat voor een optimale leer-effectiviteit je feedback zo vlot mogelijk na de geleverde prestatie moet krijgen. Schrijven is gelukkig een traag proces, dus misschien valt het in de praktijk wel mee. Hoe het ook zij: voor dit soort gedachten heb ik alle tijd, in stille afwachting van de volgende Paul Harland Dag. Hieronder volgen nog een paar overwegingen die bij me opkomen ergens halverwege het lange wachten.

De jury leest de verhalen zonder de naam van de auteur te kennen. Dat geeft ook bekendere auteurs de kans om mee te doen en waarborgt de objectiviteit  van de jury. Ook hier een keerzijde: feedback geef je bij voorkeur persoonlijk en op maat. Dat wordt hier onmogelijk. De juryleden moeten maar raden naar de intentie van de auteur en dat resulteert soms in tips van nogal algemene aard in de hoop dat ze toevallig raak zijn voor een specifieke auteur.

De anonimiteit heeft nog een ander, groter nadeel: het beperkt de auteur in zijn vrijheid. Uit het ingezonden verhaal mag niet te herleiden zijn dat jij de auteur bent en voor een meer ervaren schrijver is dat een gotspe. Je ontwikkelt juist je eigen stijl en stemgeluid. Niet zelden schrijf je verhalen die in hetzelfde universum spelen. In mijn beleving is het juist een pré als de auteur uit het verhaal herleid kan worden. We zouden op dit punt toch eigenlijk voldoende vertrouwen moeten hebben in de professionaliteit van de jury.

Het vertrouwen in die professionaliteit wordt voor mijn gevoel ook al ondergraven door het hanteren van een strak puntensysteem om tot een einduitslag te komen. Iedere voorselecteur en ieder jurylid geeft een verhaal punten en dat levert een ranking op. Zo’n systeem lijkt ‘zuiver’ en ‘betrouwbaar’, maar juist de meest innovatieve en creatieve verhalen vallen altijd wel bij iemand wat minder in de smaak. Je loopt het risico dat je verhalen beloont die zo mainstream mogelijk zijn. Juist bij fantastische literatuur vind ik dat jammer. In het verleden was er een systeem bedacht dat dit onderving, maar de regel daarvoor is niet altijd toegepast en inmiddels geschrapt. Ik vind dat prima, je moet het ook niet al te rekenkundig aanpakken. De gedachte erachter was echter prima: beloon lef, beloon het ruwe randje. Ik zou het rekenkundig deel liever nog wat meer losgelaten zien. Die ranking is prima als leidraad, maar uiteindelijk heeft de jury een discretionaire bevoegdheid. Die verdienen ze, op basis van hun ervaring en expertise. Laat ze gerust in een onderlinge dialoog de winnaars bepalen.

Ondertussen heeft die jury het er maar druk mee. De Paul Harland Prijs had afgelopen jaar veel inzendingen (206, royaal meer dan het jaar daarvoor). De ambitie is om de wedstrijd nog verder te laten groeien, maar het lezen van alle verhalen lijkt een schier onmogelijke taak te worden voor de juryleden. Hoe moet dat, de komende jaren? Moet je bijvoorbeeld, zoals de Thuring Gedichtenwedstrijd,  naar een systeem waarbij alleen de topverhalen een persoonlijk juryrapport krijgen? Daar is veel voor te zeggen. Beginnende schrijvers maken beginnersfouten, en die kunnen hun licht nog prima opdoen bij algemene tips en aanwijzingen die je overal op internet vindt, of die je in een algemeen juryrapport kunt samenvatten. Ik meen me te herinneren dat Boukje Balder op de laatste Paul Harland Dag iets in die lijn zei: dat een deel van het commentaar van de jury door beginnende schrijvers niet begrepen zal worden, omdat ze er wellicht nog niet aan toe zijn. Misschien heb ik het niet goed onthouden, maar als ze het zo gezegd heeft, had ze wel gelijk. In datzelfde gesprek (de paneldiscussie) kwam ook naar voren hoe ondankbaar de taak van jurylid vaak is. Blijkbaar waren de juryleden in het verleden regelmatig bestookt met vragen of verontwaardigde reacties, vooral van (beginnende) auteurs ‘die het er niet mee eens waren’. Dat heeft nog lang door mijn hoofd gespookt. Ik vind het altijd erg jammer als mensen feedback niet laten bezinken, en er niet eerst hun eigen leerpunten uit proberen te halen. Het is toch een cadeautje. Als het risico op vervelende reacties groter is bij beginnende schrijvers, misschien is dat dan een goede reden om alle tijd en energie vooral te steken in de auteurs die hun eigen ontwikkeling serieus nemen en dat laten zien met een beter scorend verhaal.

Een heel andere (en waarschijnlijk betere) oplossing voor het toenemend aantal inzendingen is om het aantal voorselecteurs te vergroten en niet alle verhalen door alle selecteurs te laten lezen. Dat kan prima werken. Een valkuil kan zijn dat de ene voorselecteur gemiddeld veel hogere of lagere punten geeft dan de andere, maar dat kan je (bijvoorbeeld) ondervangen door de selecteurs te laten ranken in plaats van te scoren. Tal van mogelijkheden, ik ben benieuwd waarvoor gekozen gaat worden.

Ineens spookt ook het fenomeen ‘wildcard’ of ‘golden ticket’ door mijn hoofd. Menig talentenjacht werkt ermee. Ik zie niet meteen hoe het handig toepasbaar is bij de Paul Harland Prijs, maar ik ben niettemin enthousiast. Wellicht komt dat vooral voort uit het lange wachten: de behoefte dat er tussentijds nòg iets leuks te melden valt.

Ik hoop dat ik met al mijn gedachtespinsels niet de indruk wek dat het allemaal anders moet. Ook in volstrekt ongewijzigde vorm ben ik volgend jaar weer van de partij. Ik hoop met mijn eigen werk een steentje bij te dragen aan het promoten van de genreliteratuur in de lage landen. En ik ontvang graag feedback op mijn werk – ik zal die met grote dankbaarheid, met gepaste bescheidenheid en zonder morren in ontvangst nemen.

Ging het wel mis met het fantasygenre?

Ik weet dat ik met mijn vorige blog een aantal schrijvers onrecht doe. De eerste die in me opkomen zijn Michael Moorcock en Ursela LeGuin. Maar tegenover iedere goede schrijver staat er ook weer een volgend boek van Terry Brooks of een kloon of spin-off van de eeuwige Duin-serie. Ik heb wel eens heimwee naar de hoogtijdagen van het blad Weird Tales. Ieder verhaal was een experiment, een kunstwerkje.

Ik sta gelukkig niet alleen. Juist het korte genreverhaal staat in Nederland vrij sterk. Ik kan mijn hart ophalen aan tijdschriften als Pure Fantasy, Wonderwaan en Holland-Sf. De Paul Harlandprijs stimuleert sinds jaar en dag de kwaliteit van de het korte genreverhaal op een manier waar geen andere schrijfwedstrijd aan kan tippen.

Toch mag het voor mij allemaal nog iets meer old school. Ik wil terug naar de tijd waarin een experiment gewoon een goed verhaal was en niet meteen een cross-oververhaal of een genrefout. Ik wil dat pulp weer een geuzennaam wordt. Ik wil literaire elementen niet schuwen maar juist omarmen en er mee experimenteren. Daarmee het genre vernieuwen en richting geven. Kortom: ik wil weer eens van alles en nog wat. Nu nog doen: hup, verhalen schrijven. De sluitingsdatum voor PHP 2011 is over strak een maand.