De schoonheid van een zonderling

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Artikel op de voorpagina van The Call, San Francisco 2 augustus 1912

Clark Ashton Smith is wellicht wat je noemt een ‘writers writer’; een schrijver die vooral door andere schrijvers wordt gelezen en aanbevolen. Wellicht vooral voor de literaire fijnproever. Zonder twijfel kwaliteit, met enige erkenning, maar zonder al te veel succes. (Lees meer over het fenomeen writer’s writer in The NewYorker en op LitHub).

Smith behoorde samen met H.P .Lovecraft (Cthulhu Mythos) en Robert E. Howard (Conan the Barbarian) tot ‘de grote drie’ van het tijdschrift Weird Tales. Hij was waar het ging om vakmanschap en originaliteit wellicht de beste schrijver van de drie. Die suggestie wordt door collega schrijvers en critici met regelmaat gewekt. Of dat waar is blijft natuurlijk voer voor debat, maar hoe dan ook is vermeend de beste zijn nooit een waarborg voor het hebben van succes en het bereiken van de grootste lezersschare.

Dat geldt ook voor zijn poëzie. Smith was in de eerste plaats een dichter en hij oogstte al jong lovende kritieken. Kranten noemden hem een wonderkind, de ‘the Boy Genius of the Sierras’ en ‘the Keats of the Pacific Coast’. Hij werd geroemd door literair kopstuk Ambrois Bierce en hij werd de protegé van de destijds bekende Californische schrijver George Sterling. Maar een echte landelijke doorbraak als dichter kwam er nooit. Dat zal wellicht voor een deel aan de poëzie zelf gelegen hebben; de literaire trend neeg al naar realisme en modernisme en de belangstelling voor de romantiek was tanende. Maar doorslaggevend was zonder twijfel Smith’s zeer bescheiden en teruggetrokken aard.

Clark Ashton Smith werd geboren op 13 januari 1893 in Long Valley, Californië. Smith had in zijn jonge jaren een zwakke gezondheid, en hij leed aan angsten. We weten niet met zekerheid wat hij zoal mankeerde, maar wel dat het bepalend was voor zijn ontwikkeling. Omdat hij veel thuis bleef, las hij uit de lokale bibliotheek. Uiteindelijk nam hij, gesteund door zijn ouders, zijn eigen opleiding en ontwikkeling ter hand. Hij studeerde uit de Encyclopedia Brittanica en de Websters Unabridged Dictionary, en las die in hun geheel door. Smith had een goed geheugen voor feiten en woorden, en zijn zelfstudie heeft zijn rijke woordenschat en zijn voorliefde voor het gebruik van een nauwgezet, kleurrijk idioom sterk beïnvloed.

Zijn ouders waren arm en woonden in een blokhut op een afgelegen stukje land. Smith heeft George Sterling slechts een enkele keer in San Francisco bezocht. Uit overgebleven correspondentie lijkt gebrek aan geld daarvoor de voornaamste reden, maar het laat zich raden in hoeverre Smiths karakter daarbij een rol heeft gespeeld.

Smith heeft daar in die blokhut van zijn ouders tot hun overlijden voor hen gezorgd en er ook daarna nog lang gewoond. Hij voorzag in zijn onderhoud met fysieke seizoensarbeid; zoals het hakken van hout en graven van waterputten. Hij is de staat Californië van zijn levensdagen nooit uit geweest.

de blokhut van de familie Smith (bron: eldritchdark.com)

Zoals gezegd, de positieve ontvangst van zijn poëzie betekende nog geen financieel succes. Smith’s productie was onregelmatig. Om ook met zijn schrijfwerk voor wat meer inkomsten te zorgen, begon Smith met het schrijven van verhalen. Daar stopte hij mee na het overlijden van zijn ouders, en op een moment dat het succes van Weird Tales over het hoogtepunt heen was. Smith trouwde op latere leeftijd en legde zich zijn laatste jaren naast het dichten toe op het snijden van beeldhouwwerken.

In de diverse herinneringen aan Smith die door vrienden en bekenden op papier zijn gesteld wordt een beeld geschetst van een vriendelijke, beminnelijke man. Hij was verre van wereldvreemd, maar zeer op zichzelf en hij leek zijn teruggetrokken, kluizenaar-achtige bestaan te koesteren. Van de diverse literaire vrienden die hij had, heeft hij alleen diegenen in levende lijve ontmoet die de moeite namen om naar Californië af te reizen en hem op te zoeken. H.P. Lovecraft en Robert E. Howard, die hij tot zijn vrienden rekende, heeft hij nooit ontmoet. De vriendschap bloeide in een uitgebreide correspondentie.

Zijn leven en aard fascineert me. Ik aard ook wel een beetje naar zo’n zonderling. Niet voor niets schreef ik een boek over Oom Ludo, die de wereld net iets anders ziet dan anderen, en zich bij voorkeur op zijn kamer terugtrekt. Ik stel mij voor dat Smith’s wereld toch vooral bestond uit de boeken die hij las. Die voerden hem mee naar verre oorden en andere tijden. En op het afgelegen stukje land waar hij woonde, verstoken van elektriciteit en stromend water, had hij ’s avonds alle tijd om naar de sterrenhemel te staren en te mijmeren over wat er allemaal kon bestaan aan de uiteinden van de eindeloze tijd en ruimte.

Hoe de heimwee geboren werd

Het titelvignet uit de bundel

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Mijn liefde voor het werk van Clark Ashton Smith begon eind jaren ’80. Ik las in mijn tienerjaren graag fantasy. Hoe ik het genre ontdekte en terug ging lezen in de tijd heb ik eens beschreven in het essay Over de voorde naar de bron. Van Smith was maar een beetje werk in het Nederlands uitgegeven. Twee bundeltjes door Bruna in hun ‘Fantasy en Horror’ reeks en een bundel door MeulenhofSF Zothique en andere verloren werelden. Een paar losse verhalen waren opgenomen in anthologieën. Zijn werk viel me op: de verhalen waren origineel, de werelden betoverend en alleen al het taalgebruik was van een variëteit die ik van andere auteurs niet kende. Ik las ook wel in het Engels, maar waar me dat bij schrijvers als Tolkien en Dunsany relatief weinig moeite kostte, toonde het proza van Smith zich weerbarstiger. De zinsopbouw en de woordkeus zelf leek soms afkomstig uit verre werelden. Maar ook al begreep ik niet alles meteen: ik was wel bevangen door de schoonheid van zijn taal. En de verhalen gaven voortdurend de suggestie dat er meer te ontdekken viel. Iedereen zin leidde naar een nieuw vergezicht op verloren werelden. Gelijktijdig waren zijn thema’s en personages universeel; het ging veelal om angst en liefde. In ieder tijdgewricht zullen er schrijvers en lezers zijn die, verlangend en een beetje angstig, op hun rug in het gras naar de sterren staren en fantaseren over tijden van weleer en de eonen die nog komen gaan. Smith stoorde zich niet aan de conventies van zijn tijd en schreef met een subtiel gevoel voor humor over dood, lust en liefde zoals weinig tijdgenoten dat konden of durfden. Daarin was hij zijn tijd ver vooruit. En daardoor voelt zijn werk, ondanks het archaïsche taalgebruik, soms opmerkelijk eigentijds.

Door de jaren heen keerde ik vaak terug naar het werk van Smith, en dan met name zijn prozagedichten. Daarin vond ik alle thema’s en alle taalkundige schakeringen samengebald in een bescheiden corpus aan teksten. Voor mij vormen die teksten de kern van zijn werk. Het heeft de poëtische schoonheid van zijn gedichten, en de rijkheid aan ideeën van zijn proza.

Nadat ik eind 2019 het schrijven van Oom Ludo had afgerond en terwijl ik voorbereidingen trof om dat werk uit te geven, zocht ik een schrijfproject voor tussendoor. Een werk om het pallet te reinigen, zoals je een stukje brood eet en een slok water drinkt tussen het proeven van twee verschillende soorten wijn. Het mocht een vingeroefening zijn. Ik had een kort verhaal kunnen schrijven. Of een paar gedichten. In plaats daarvan pakte ik een klus op waar ik al vaker kort aan gewerkt had; het vertalen van de prozagedichten van Clark Ashton Smith. Om alle facetten van die teksten te doorgronden was ik begonnen ze voor mezelf te vertalen.

Deze keer werd ik nog meer gegrepen door de teksten dan alle vorige keren. Het gevoel bekroop me dat ik deze teksten graag aan de vergetelheid wilde ontrukken en dat ik mijn plezier met anderen wilde delen. Misschien beschouw ik dat wel als een morele plicht van een schrijver: om af en toe een werk uit de kast te halen, af te stoffen en voor het voetlicht te plaatsen. Zo laat je als schrijver aan de wereld zien: zie wie ons is voorgegaan. Dit inspireerde mij. Dit moet gelezen worden.

Eerlijk gezegd: het was ook een beetje mijn coronaproject. De lock-downs hadden hun weerslag. Graag had ik in 2020 meer tijd en aandacht besteed aan de promotie van Oom Ludo. Maar de publieke boekpresentatie en ludieke promotie, die zaten er even niet in.

En gaandeweg werd het voor mijzelf op vele vlakken ook een meesterproef: in bekwaamheid, in doorzettingsvermogen en in besluitvaardigheid. Bij prozagedichten gaat het niet alleen om de betekenis, maar ook om het ritme en de klank, om alle symboliek, de verwijzingen en de stijl. Ik wilde recht doen aan de romantische weelde van het proza, maar de tekst ook bezorgen aan de lezer van nu. Bij iedere keer dat ik een vertaalde zin herlas bekroop mij de twijfel: was dit werkelijk hoe die zin er heden ten dage in het Nederlands moest staan? Meerdere keren nadat ik alle teksten had geredigeerd kwam ik tot de conclusie dat met de opgedane ervaring eigenlijk nòg een redactieronde nodig was. In een volgend blog zal ik een aantal versies van een vertaling eens naast elkaar zetten.

En terwijl ik aan de vertaling werkte groeide het besef dat er eigenlijk meer nodig was dan alleen vertalen. Het schrijven van een goede inleiding. Een verklarende woordenlijst. Een beknopte bibliografie. Gelukkig kreeg ik hulp en bijval. Met eindeloos geduld las Nico Assinck alle vertalingen met mij mee en gezamenlijk herkauwden we alle woorden. William Dorman, de stiefzoon van Smith en beheerder van de literaire nalatenschap, gaf toestemming om het werk in vertaling uit te geven. Tais Teng, schrijver, illustrator èn ook een liefhebben van het werk van Smith, toonde zich bereid om illustraties voor de uitgave te leveren.

Wat begon als een pennenproef, groeide al doende uit tot een fascinerende, intensieve en tijdrovende klus. Twee coronajaren gingen voorbij. We beleefden menig lockdown. Ik wisselde van baan. En ondertussen werkte ik gestaag door. Ik zette uiteindelijk alle twijfel en neiging tot herkauwen van de tekst opzij en leverde een complete vertaling op.

Het heeft even geduurd, maar nu is de publicatie van dit eindresultaat in zicht. Dit najaar verschijnen de prozagedichten in een gebonden en geïllustreerde uitgave. Een prachtbundel, waarvan de vorm is geïnspireerd op de boeken van uitgeverij Arkham House, de eerste uitgever van het werk van Smith.

Het werk is in de eerste plaats geboren uit mijn liefde voor het werk van Clark Ashton Smith, en ik hoop dat met deze vertaling meer mensen in Nederland zijn werk, en de heimwee naar het onbekende, zullen (her)ontdekken.

Dit is de eerste uit een reeks blogs over Clark Ashton Smith en de uitgave Heimwee naar het onbekende. In volgende blogs zal ik onder andere ingaan op de inhoud van de teksten, het vertaalproces en leven en werk van Smith.

Te mooi om in de la te laten liggen

Ik heb meer ideeën dan ik tijd heb om ze uit te werken en op papier te zetten. En als ik daar al toe kom, moet het ook nog worden uitgegeven. Op mijn computer heb ik mappen vol met schrijfwerk dat ooit nog de wereld in gezonden moet worden. Tot nu toe komt het er niet van om dat te doen. Soms omdat ik twijfel of het goed genoeg is. Soms omdat ik nog één verhaal erbij wil schrijven om een bundel ‘compleet’ te maken. Soms gebrek aan tijd. Er is altijd wel wat. Nu heb ik bedacht dat ik voor mijn vijftigste verjaardag (nog ruim een jaar weg) al dat materiaal ter hand ga nemen en het zal publiceren of archiveren.

Voor wie wil weten wat er in het ‘geheime verhalenvat’ zit, waarin het hopelijk niet verzuurd, hieronder een overzicht op min of meer chronologische volgorde.

  1. Zwijgen is zilver – Toen ik het schreef noemde ik het een ‘jeugdnovelle’. Inmiddels noem je dat al jaren jong adult.
  2. Het onbezoldigd universum – een bundel grappige korte verhalen, illustraties en gedichten. Onder andere de korte Tante Magna verhalen. (zie 4)
  3. De mythe van een jeugd – een dichtbundel. Soms vrij zware kost met een hoog weltschmerz gehalte, maar over menig gedicht ben ik nog steeds heel tevreden. Ik heb een paar keer een poging gewaagd om gedichten uit deze set te herschrijven, of het beste materiaal eruit te halen, maar eigenlijk vormt de bundel één geheel. En mijn afstand tot het werk (ik schreef het eerste helft jaren ’90) is inmiddels zo groot dat ik het integraal moet uitgeven of archiveren. Iets anders leidt tot een gemankeerd eindresultaat.
  4. De nieuwe avonturen van Tante Magna – Eigenlijk schreef ik er tot nu toe maar één: het beklemmende en poëtische ‘Het oude halssnoer’. Het verscheen in Ganymedes 14. Er ligt een half volgend verhaal. Het is de schrijnende, volwassen versie van de kolderieke verhalen uit Het onbezoldigd universum (2). Eigenlijk zou ik dat tweede verhaal eens af moeten schrijven, en ze samen in één bundeltje willen uitgeven. Al dan niet vergezeld door de mini verhaaltjes uit Het onbezoldigd universum.
  5. Het zwarte grootboek – dit was ooit een bundel klassieke griezelverhalen. Ik schreef ze in de jaren 80 maar toen ik ze in jaren 90 herlas vond ik ze allemaal niet goed genoeg. Ik nam me voor om het kernidee van ieder verhaal te nemen en daar een nieuw verhaal voor te schrijven. Ik ben een heel eind: er zijn drie verhalen herschreven (gemiddeld toch één per tien jaar).
    1. Het verhaal ‘De poort naar wijsheid’ werd omgeschreven naar ‘De laatste kamer’ – dit was het verhaal dat de minste revisie behoefde en de nieuwe versie verscheen in een editie van Pure Fantasy. Op basis van die publicatie werd ik destijds spontaan gebombardeerd tot ‘de Lovecraft van de lage landen’.
    2. Het zwarte grootboek – een compleet herschreven versie werd opgenomen in Ganymedes 15.
    3. Het verhaal ‘Cicil Blake’ vormde de inspiratie voor het compleet nieuwe verhaal ‘Het horloge van Alvarez’. Het is eerder mystiek dan griezelig geworden en speelt op een van de sterkampen in Ommen. Ongepubliceerd.
    4. Dan resteren nog een gedicht ‘De verdwaalde reiziger’ en een prozagedicht ‘De tempel van de kruipende chaos’. In de oorspronkelijke bundel zat daarnaast ook nog een vertaling van Het Nachtmerriemeer van Lovecraft. Die heb ik in de tussentijd op deze website online gepubliceerd.
  6. Onwaarschijnlijke helden – een verzameling fantasy verhalen met een Hollandse snit. Deze bundel was nagenoeg af en heb ik als eerste al uit de mottenballen gehaald. Eind juni is het als e-book verkrijgbaar bij alle grote retailers. De pre sale staat inmiddels open bij publicatieplatform Smashwords. Een geprinte editie heb ik niet in de planning.
  7. Vier dystopische/beklemmende verhalen – hier is er slechts één van gepubliceerd: de novelle Kiki. De verhalen Camiel, De immolenten en Snuit behoeven nog wat eindredactie. Daarna zou het samen een aardige bundel vormen. Maar wellicht zijn ze ook heel geschikt om éérst los te publiceren in bijvoorbeeld het tijdschrift ‘Fantastische Vertellingen’. (Remco Meisner zal me dankbaar zijn)
  8. Het uur van Leviathan – een wat uit de hand gelopen symbolisch verhaal (ca 50 romanpagina’s) over zinkgaten, de ondergang van de wereld en vooral: de liefde. Er is iets met dat verhaal waardoor ik er erg verknocht aan ben. Steeds heb ik het gevoel dat ik het heel zorgvuldig de wereld in wil zenden. Misschien is het wel geschikt, net als Kiki, om er een zelfstandig los boekje van te maken.
  9. Meer poëzie – ik heb wat afgedicht. Maar er valt geen lijn in te ontdekken en geen bundel uit samen te stellen. Wat moet ik toch met al dat spul? Vele tientallen gedichten van verschillende vorm en lengte, met uiteenlopende thematiek. Misschien is voor de meeste gedichten het ronde komo-archief nog de beste bestemming. Het enige stuk dat ik er wellicht bij voorbaat uit wil redden is ‘Hoor toch hoe de draaitabellen zingen’ – een lang en episch stuk kantoortuinpoëzie.
  10. En verder…. er blijven nog wat curiosa over. Een hommage aan Martin Toonder. En wat materiaal waar nog flink aan gewerkt zou moeten worden: de avonturen van Maximiliaan Lex. En wat schetsen en kladjes: een half verhaal dat speelt in de wereld van het rollenspel Queeste. Dat is amper het ideeën stadium ontstegen. Enfin: ook hier wil ik met de bezem erdoorheen.

Ik weet vrij zeker dat lang niet al dit materiaal de lezer zal bereiken. En dat is prima. Sommig materiaal is toch nog niet rijp. Ander materiaal is gewoon niet goed genoeg. Maar enkele verhalen en gedichten zijn toch te mooi om in de la te laten liggen. Publicatie zal maar voor een enkel werk met enige bombarie en een boekpresentatie gepaard gaan. Veelal wordt het komend jaar terloops: zodat het in ieder geval voor de nieuwsgierige lezer vindbaar is.

En ja, dan is er natuurlijk ook nog het nieuwe werk. Aan dat vat met verhalen worden ook steeds weer nieuwe zaken toegevoegd.

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Over dit werk publiceer ik de komende weken een paar blogs.

En ondertussen schrijf en redigeer ik ook nog een literaire triller, onder de werktitel Gamergirl, maar die verschijnt waarschijnlijk pas begin 2023.

Oh ja, en ik had nog het plan om een biografische schets over Catharine Duval te schrijven. En een toneelstuk over… en… en… en…