Het juiste plaatje bij de juiste tekst

Een goede illustratie laat niet zien wat er in een tekst staat. Een goede illustratie verbeeldt en versterkt de tekst zodanig dat de verbeelding van de lezer nog altijd geprikkeld wordt. En andersom moet het ook kloppen. De tekst voegt iets toe en beschrijft niet alleen wat er is verbeeld. Maar wat moet het dan precies toevoegen?

Carl Hollander (bron: Letterkundig Museum)

Als ik terug denk aan werken met illustraties die me zijn bijgebleven denk ik met name aan vele kinderboeken. Als eerste aan Carl Hollander, die de boeken van Paul Biegel illustreerde. Vervolgens aan de etsen bij het werk van Jules Verne en Alexandre Dumas. Die illustraties gaven toch vrij letterlijk weer wat er gebeurde? Bij de meeste volwassen literatuur is het plaatsen van illustraties helaas een beetje ‘uit’. Menig roman werd wel verstripboekt, maar dat is toch een ander genre. Fantasy en SciFi worden soms wel rijkelijk geïllustreerd – ik denk dan als eerste aan het werk van Tolkien. Wat Tolkien zelf maakte, en ook het werk van Pauline Bayes, kan ik erg waarderen. Het recentere werk, zoals dat van John Howe, is me wat te realistisch en te letterlijk. Het laat me weinig ruimte voor mijn eigen fantasie. De sfeer smaakt me minder – te weinig mysterie en verwondering. Het werk is te af. Als ik zo’n plaatje zie denk ik eigenlijk nooit: ‘waar zou dat verhaal over gaan’ of ‘wat zou er achter die horizon liggen?’

Ik denk dat ik de kern raak met ‘sfeer en verwondering’. Dat was precies waarom ik zo blij was toen Tais Teng aanbood om illustraties voor Heimwee naar het onbekende te leveren. Zijn werk doet precies dat: verwondering opwekken. De teksten van Smith en Tais werk versterken elkaar over en weer. Naast elkaar ga je ze beide met andere ogen bekijken.

Bij de eerste integrale uitgave van Smiths prozagedichten koos uitgeverij Arkham House voor de illustrator Frank Utpatel. Zijn stijl is vrij klassiek, en sluit goed aan bij de romantische kant van Smiths werk. Het doet me denken aan de illustraties van Sidney Sime bij het werk van Dunsany. Dat is op zichzelf prachtig, maar bij de bizarre en kosmische kant past in mijn beleving ander soort werk.

Smith maakte zelf ook illustraties. Die zijn gemaakt in een eenvoudige, bijna naïeve stijl. Het wordt gekenschetst als ‘outsider art‘. Smith koos die stijl bewust. Omdat zijn verhalen in verre, bizarre werelden speelden vond hij een conventionele stijl of techniek niet passend. Hoewel ik dat kan waarderen vind ik die stijl minder geschikt om naast tekst te plaatsen. Soms is het tè naïef en daarmee minder toegankelijk en teveel een ‘acquired taste’. Veel lezers zal het juist van de tekst afleiden in plaats van uitnodigen om van de tekst en plaatjes naast elkaar te genieten.

Er is een stijl nodig die wel de vervreemding en verwondering oproept, zonder de lezer af te stoten of teveel te verwarren. Niet voor niets koos Arkham House bij de uitgave A Rendezvous in Averoigne voor illustraties van Jeffrey K. Potter. Diens werk vertoon in de verte wel wat gelijkenis met dat van Tais Teng door het foto-realisme, de collageachtige technieken en het gebruik van fractalen. De thema’s zijn eveneens betoverend, bizar en vervreemdend: het is makkelijk er de vergezichten in te zien aan het einde van tijd en ruimte, zoals Smith die in zijn teksten verbeeldt.

Tais Teng verstaat die kunst ook; de lezer-beschouwer wordt geprikkeld om te fantaseren en bij iedere schakeling tussen tekst en tekening kan je iedere keer weer nieuwe dingen ontdekken. Uiteindelijk plaatste ik zestien werken bij de teksten waarmee het een prachtige en zeer rijk geïllustreerde bundel is geworden.

Op de projectpagina van Heimwee naar het onbekende vind je ook de omslagillustratie en het frontispice.

De thema’s van Clark Ashton Smith

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Iemand zou me kunnen vragen: ‘Dat werk van die Clark Ashton Smith, waar gaat dat eigenlijk over?’ Hij behandelt een veelheid aan onderwerpen en thema’s, en wie al zijn werk leest ontwaart daar wel een patroon in. Ik heb getracht van die elementen in een overzichtelijk lijstje te maken.

  1. Het verlangen naar verre werelden en andere tijden. Dit is in beginsel een vrij klassiek romantisch thema. Onderwerpen uit de Griekse mythologie, fabels uit het verre oosten en steden uit de verhalen van duizend-en-een-nacht passeren zowel in zijn proza als in zijn poëzie regelmatig de revue. In tegenstelling tot veel andere romantische schrijvers verheerlijkt Smith die tijden en plaatsen meestal niet. Hij wekt wel een gevoel van weemoed en verlangen op naar wat ver en verloren is, maar hij maakt het niet mooier dan het hoeft te zijn. Sterker nog: vaak benadrukt hij hoezeer het vervallen is; van al dat schoons is niet veel over. Daarin toont Smith dat hij, ondanks zijn weelderige schrijfstijl, de romantiek ook een beetje voorbij is en er als schrijver van de 20ste eeuw op reflecteert. Goede voorbeelden zijn de prozagedichten Het heengaan van Aphrodite en Narcissus, maar ook bijvoorbeeld Chinoiserie.
  2. Het kosmische & de droom. Smith kiest vaak voor het grote plaatje en het verre perspectief. We bewegen ons in een onmetelijk universum en door eonen van tijd. De schrijver is daarin zowel de alwetende schepper als een nietig en onbeduidend vlekje. Typische voorbeelden zijn Uit de krochten van het geheugen (zie citaat bovenaan) en De kristallen. Vaak wordt dit perspectief gecombineerd met de droom en het onderbewuste. Ik had het als twee verschillende thema’s kunnen benoemen, maar bij Smith liggen ze zo dicht bij elkaar, en vloeien zozeer in elkaar over, dat ik ze bij voorkeur als één benoem. Juist de droom en de fantasie vormen de poort naar het echte verre of kosmische perspectief.
  3. Het bizarre en vervreemdende. Het verlangen naar verre werelden en andere tijden wordt regelmatig vermengd met het kosmische perspectief. Smith kiest onderwerpen en werelden en plaatst ze in vroege tijden of juist in de nadagen van ons zonnestelsel. In zijn korte verhalen doet hij dat op de verloren continenten Poseidonis en Atlantis en in de toekomstige wereld Zothique. Die plekken en verhalen zijn zo ver dat het vreemde en bizarre de boventoon voert. Dit kenmerkt het merendeel van zijn korte verhalen en is ook in zijn prozagedichten soms terug te vinden. De bloemenduivel is een goed voorbeeld. De openingszin; “In een font van porfier, op de top van een pilaar van serpentijn, heeft het ding sinds de oertijd bestaan, in de tuin van de koningen die heersen over equatoriaal gebied op de planeet Saturnus.”
  4. De liefde. Gelukkig is niet alles kosmisch of bizar. Een wezenlijk thema bij Smith is de liefde. Als er iets is dat hoop en zin geeft is het de liefde en het menselijk verlangen daarnaar. Niet altijd is de liefde hoopvol of gespeend van ironie; regelmatig is de liefde verloren of onbereikbaar. Maar er is ook menig gedicht dat enkel de liefde en het verlangen beschrijft, zonder de bijsmaak van rouw of wanhoop. Kijk uit naar de prozagedichten De litanie van de zeven kussen en (ondanks de titel) De verschrikking van de woestenij en Offergave.
  5. Humor, en dan vooral: de ironie. Als je humor moet aanwijzen of uitleggen is als snel de aardigheid eraf. Maar bij Smith helpt het wel om de lezer een beetje op weg te helpen, want de humor komt in de vorm van ironie, die vaak erg situationeel is, en waarvoor je de tekst een beetje in zijn historische context moet plaatsen. In de tekst Narcissus beschrijft Smith de Griekse held starend in een poel nogal beduimeld water. Dat vind ik op zichzelf al vrij hilarisch, bij de gedachte dat van oudsher Narcissus wordt afgebeeld naast kristalhelder water, waarin hij verliefd naar zijn eigen beeltenis kan staren. En in het vervolg van het vers schrijft Smith niet veel meer dan ‘en als hij in de weerspiegeling zijn eigen gelaat en ogen vindt, zal hij ook zelf wel zien dat hij niet helemaal goed snik is’. Maar dat dan in prachtige volzinnen. Het is de moeite waard om de teksten van Smith te lezen en alert te zijn op milde satire en speelse relativeringen. Lees bijvoorbeeld ook Het heengaan van Aphrodite en De Demon, de Engel en Schoonheid door die bril. Bij sommige teksten is de humor toegankelijker zoals bij de dialoog Het lijk en het skelet.

Zonder twijfel zijn er nog andere onderwerpen en thema’s in het werk van Smith te ontdekken. En sommige thema’s kun je verder splitsen of onderverdelen. Tot slot moet ik benoemen dat de rode draad door al die thema’s heen het taalgebruik van Smith is. Dit is het meest kenmerkend. Hij schrijft zelf over zijn schrijfstijl; ‘Mijn eigen bewuste ideaal is de lezer te misleiden tot het aanvaarden van een onmogelijkheid, of een reeks van onmogelijkheden, door middel van een soort verbale zwarte magie, waarbij ik gebruik maak van proza-ritme, metafoor, vergelijking, klankkleur, contrapunt en andere stilistische middelen, als een soort bezwering.’

Dus wie mij vraagt waar het werk van Smith over gaat, moet ik eigenlijk, al dan niet met enige ironie, antwoorden: verwacht niets dan betoverd te worden.

De schoonheid van een zonderling

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Artikel op de voorpagina van The Call, San Francisco 2 augustus 1912

Clark Ashton Smith is wellicht wat je noemt een ‘writers writer’; een schrijver die vooral door andere schrijvers wordt gelezen en aanbevolen. Wellicht vooral voor de literaire fijnproever. Zonder twijfel kwaliteit, met enige erkenning, maar zonder al te veel succes. (Lees meer over het fenomeen writer’s writer in The NewYorker en op LitHub).

Smith behoorde samen met H.P .Lovecraft (Cthulhu Mythos) en Robert E. Howard (Conan the Barbarian) tot ‘de grote drie’ van het tijdschrift Weird Tales. Hij was waar het ging om vakmanschap en originaliteit wellicht de beste schrijver van de drie. Die suggestie wordt door collega schrijvers en critici met regelmaat gewekt. Of dat waar is blijft natuurlijk voer voor debat, maar hoe dan ook is vermeend de beste zijn nooit een waarborg voor het hebben van succes en het bereiken van de grootste lezersschare.

Dat geldt ook voor zijn poëzie. Smith was in de eerste plaats een dichter en hij oogstte al jong lovende kritieken. Kranten noemden hem een wonderkind, de ‘the Boy Genius of the Sierras’ en ‘the Keats of the Pacific Coast’. Hij werd geroemd door literair kopstuk Ambrois Bierce en hij werd de protegé van de destijds bekende Californische schrijver George Sterling. Maar een echte landelijke doorbraak als dichter kwam er nooit. Dat zal wellicht voor een deel aan de poëzie zelf gelegen hebben; de literaire trend neeg al naar realisme en modernisme en de belangstelling voor de romantiek was tanende. Maar doorslaggevend was zonder twijfel Smith’s zeer bescheiden en teruggetrokken aard.

Clark Ashton Smith werd geboren op 13 januari 1893 in Long Valley, Californië. Smith had in zijn jonge jaren een zwakke gezondheid, en hij leed aan angsten. We weten niet met zekerheid wat hij zoal mankeerde, maar wel dat het bepalend was voor zijn ontwikkeling. Omdat hij veel thuis bleef, las hij uit de lokale bibliotheek. Uiteindelijk nam hij, gesteund door zijn ouders, zijn eigen opleiding en ontwikkeling ter hand. Hij studeerde uit de Encyclopedia Brittanica en de Websters Unabridged Dictionary, en las die in hun geheel door. Smith had een goed geheugen voor feiten en woorden, en zijn zelfstudie heeft zijn rijke woordenschat en zijn voorliefde voor het gebruik van een nauwgezet, kleurrijk idioom sterk beïnvloed.

Zijn ouders waren arm en woonden in een blokhut op een afgelegen stukje land. Smith heeft George Sterling slechts een enkele keer in San Francisco bezocht. Uit overgebleven correspondentie lijkt gebrek aan geld daarvoor de voornaamste reden, maar het laat zich raden in hoeverre Smiths karakter daarbij een rol heeft gespeeld.

Smith heeft daar in die blokhut van zijn ouders tot hun overlijden voor hen gezorgd en er ook daarna nog lang gewoond. Hij voorzag in zijn onderhoud met fysieke seizoensarbeid; zoals het hakken van hout en graven van waterputten. Hij is de staat Californië van zijn levensdagen nooit uit geweest.

de blokhut van de familie Smith (bron: eldritchdark.com)

Zoals gezegd, de positieve ontvangst van zijn poëzie betekende nog geen financieel succes. Smith’s productie was onregelmatig. Om ook met zijn schrijfwerk voor wat meer inkomsten te zorgen, begon Smith met het schrijven van verhalen. Daar stopte hij mee na het overlijden van zijn ouders, en op een moment dat het succes van Weird Tales over het hoogtepunt heen was. Smith trouwde op latere leeftijd en legde zich zijn laatste jaren naast het dichten toe op het snijden van beeldhouwwerken.

In de diverse herinneringen aan Smith die door vrienden en bekenden op papier zijn gesteld wordt een beeld geschetst van een vriendelijke, beminnelijke man. Hij was verre van wereldvreemd, maar zeer op zichzelf en hij leek zijn teruggetrokken, kluizenaar-achtige bestaan te koesteren. Van de diverse literaire vrienden die hij had, heeft hij alleen diegenen in levende lijve ontmoet die de moeite namen om naar Californië af te reizen en hem op te zoeken. H.P. Lovecraft en Robert E. Howard, die hij tot zijn vrienden rekende, heeft hij nooit ontmoet. De vriendschap bloeide in een uitgebreide correspondentie.

Zijn leven en aard fascineert me. Ik aard ook wel een beetje naar zo’n zonderling. Niet voor niets schreef ik een boek over Oom Ludo, die de wereld net iets anders ziet dan anderen, en zich bij voorkeur op zijn kamer terugtrekt. Ik stel mij voor dat Smith’s wereld toch vooral bestond uit de boeken die hij las. Die voerden hem mee naar verre oorden en andere tijden. En op het afgelegen stukje land waar hij woonde, verstoken van elektriciteit en stromend water, had hij ’s avonds alle tijd om naar de sterrenhemel te staren en te mijmeren over wat er allemaal kon bestaan aan de uiteinden van de eindeloze tijd en ruimte.

De poëtica van de vertaler

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Je bent als vertaler van poëzie toch een beetje een kind in een snoepwinkel: er is zoveel om uit te kiezen en op het eerste gezicht lijkt alles lekker. Maar het is dan wel een exotische, buitenlandse snoepwinkel, en je wilt snoep kopen dat je zelf lekker vindt èn waar je thuis mee aan kunt komen.

Over het vertalen van poëzie is door anderen al heel wat afgeschreven. Rudy Kousbroek schreef er over: ‘Poëzie lezen in vertaling is iets als liefkozen met handschoenen aan. Het kan heel opwindend zijn, maar wat je voelt blijft toch altijd de binnenkant van de handschoen.’ Komrij verwoordde het dilemma van de dichter-vertaler met de stelling dat een gedicht door honderd vertalers op wel honderd verschillende manieren vertaald zou worden. (zie hier) Een andere schrijver merkte eens fijntjes op dat de mensen die het Nederlands ongeschikt vinden om poëzie in te vertalen ezels zijn die denken dat het de taal is die balkt. Ik kon niet terugvinden wie dat ooit zei. Misschien was het Komrij, of Gerard Reve. Of wellicht verdraaide ik de uitspraak onbewust zodat die in mijn straatje past. Hoe dan ook, ik realiseer me dat de vertaling nooit gelijk is aan het origineel, en dat er altijd mensen zullen zijn die je er niet mee kunt bekoren, maar het hoeft geen mindere kopie te zijn. Als het goed gedaan is, is het een kunstwerk dat op eigen kracht kan staan, gelijkwaardig aan de brontekst. Ik genoot zelf zeer van het vertaalwerk van bijvoorbeeld Ernst van Altena (o.a. Franse chansons en François Villon), Menno Wigman (vertaalde Baudelaire – overigens ook een inspiratiebron voor Smith) en Jan Rot (vele hertalingen van songteksten). Ook waar het gaat om het vertalen van poëtische fantasy valt er in het Nederlands veel te genieten. Ik denk dan aan werk van Helen Knopper (De Worm Ouroboros) en Frits van der Waa (Ghormengast). Het werk van Tolkien, inclusief zijn poëzie, werd briljant vertaald door Max Schuchart (o.a. LOTR), Peter Cuijpers (het metrische De kinderen van Hùrin) en Renée Vink (o.a. de herziene vertaling van Tom Bombadil – lees ook haar persoonlijke verslag over het vertalen van Tolkiens poëzie). Voor mij toonden al die vertalingen aan dat het mogelijk moest zijn en de moeite waard was om ook het werk van Clark Ashton Smith in het Nederlands te vertalen.

Zoals ik in mijn vorige blog schreef was de start van mijn vertaalproces vrij praktisch en intuïtief. Pas bij de tweede revisie realiseerde ik me dat het verstandig was een paar toetsstenen en uitgangspunten voor mezelf te formuleren. De visie die ik gaandeweg ontwikkelde kwam op het volgende neer;

  • De Nederlandse tekst moest in de letterlijke betekenis nauw aansluiten bij het Engelse origineel. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat hoeft het voor poëzie niet te zijn. Daar kan de vorm, het ritme en de klank de vertaler soms dwingen om vrijer met de tekst om te gaan. Het is niet zo dat ik me geen vrijheden heb gepermitteerd, maar ik heb me er nergens toe laten verleiden om de inhoud te veranderen ‘omdat ik het zo in het Nederlands mooier vond’. Inhoudelijke vrijheden moesten noodzakelijk zijn omdat de vorm of onderliggende betekenis daarom vroeg.
  • Het ritme van de zinnen moest op dezelfde manier stuwend en lokkend zijn. Smith’s interpunctie is op z’n zachts gezegd eigenzinnig. Zonder ook maar ergens te willen vervallen in al te Engels aandoende formuleringen, wilde ik graag de zinslengte en zangerige opeenstapeling van beschrijvingen behouden. De enige manier om dat te doen, en tot een goed lopende tekst te komen, was door beurtelings de vertalingen en het origineel steeds hardop voor te lezen (of ‘hardop in mijn hoofd’, om mijn man niet te zeer te verstoren).
  • Nederlandse tekst moest net zo rijk aan woorden zijn als het Engelse origineel. Dat werd extra belangrijk omdat ik bij het lezen van Smiths biografie ontdekte dat hij een welhaast fotografisch geheugen had en in zijn jonge jaren de onverkorte versie van Websters Dictionary gelezen had. Smith had een voorliefde voor het gebruik van een zeer gevarieerd idioom. Dat maakte het voor mij noodzakelijk om van ieder Engels woord te beoordelen hoe alledaags, of juist vreemd en uitheems het begin 20ste eeuw was geweest. En vervolgens om daar een equivalent voor te vinden dat honderd jaar later een vergelijkbare leeservaring zou geven in het Nederlands. Nergens wilde ik twee verschillende Engels woorden door één Nederlands woord vervangen. En nooit vond ik het acceptabel om een zeldzaam of bijzonder woord in het Engels te vertalen met een vrij gebruikelijke en bekende Nederlandse term. En andersom gold uiteraard: een vrij gebruikelijke formulering in het Engels mocht niet al te exotisch of gekunsteld worden in het Nederlands.
  • Er mocht me natuurlijk niets ontgaan. Verwees een zin ergens naar: een oude Griekse mythe of een Amerikaanse zegswijze? Was de tekst eigenlijk ironisch bedoeld? Waar dat het geval was, of ook maar kon zijn, moest de vertaling evenzeer ruimte laten voor die lezing. Ik raadpleegde ook parallel het origineel en de vertaling van menig klassiek werk, dat Smith zonder twijfel ook had gelezen. Onder andere het oude testament (de Statenvertaling), de Odyssee (met dank aan Imme Drost) en een achttiende-eeuwse vertaling van De Goddelijke Komedie. Op basis daarvan koos ik soms zorgvuldig formuleringen die de inspiratiebron van Smith ook in de vertaling nog zichtbaar konden maken.
  • En uiteindelijk moest de tekst bezorgd worden aan de hedendaagse Nederlandse lezer. Dat is natuurlijk een beetje gedoemd te mislukken: ik heb niet de illusie dat ik een heel breed lezerspubliek zal bereiken. Maar ik hield me bij het navorsen van alle oude vertalingen en archaïsche woorden steeds voor: het is inmiddels honderd jaar later. We leven en lezen in de 21ste eeuw. Daar waar de vorm en betekenis van de tekst het ook maar enigszins toelieten bouwde ik zinnen en koos ik woorden ‘van nu’.
  • Soms moet je stoppen met twijfelen: neem een besluit en accepteer dat je het morgen anders had vertaald. Niemand is gebaat bij een vertaling die nooit af komt.

Het voert te ver om hier bij al deze uitgangspunten voorbeelden te geven (dat bewaar ik wellicht voor een passende lezing of boekpresentatie) maar ik vind het leuk om tot slot het vertaalproces en de bijbehorende redactierondes te illustreren aan de hand van de eerste drie alinea’s van de openingstekst ‘De reiziger’. Het origineel en opeenvolgende versies van de vertaling, met een paar aantekeningen, staan onder dit blog.

Heb ik uiteindelijk de juiste keuzes gemaakt? (NB: retorische vraag.) Waar dat niet zo is hoop ik troost te putten uit nog een citaat uit 1985 van Gerrit Komrij (die zijn tijd leek te vullen met het doen van goed citeerbare uitspraken); ‘Iedere goede vertaler die de auteur zoveel mogelijk recht probeert te doen heeft recht op stommiteiten. In elke vertaler hoort een mooie stommiteit te zitten. Dat is hetzelfde als (…) in ieder Perzisch tapijt één steek laten vallen, omdat alleen Allah volmaakt is.’

De belangrijkste verschillen tussen de vertalingen zijn vet gemarkeerd.

Het origineel

The Traveller
“Stranger, where goest thou, in the sad raiment of a pilgrim, with shattered sandals retaining the dust and mire of so many devious ways? With thy brows that alien suns have darkened, and thy hair made white from the cold rime of alien moons? Wanderest thou in search of the cities greater than Rome, with walls of opal and crystal, and fanes more white than the summer clouds, or the foam of hyperboreal seas? Or farest thou to the lands unpeopled and unexplored, to the sunless deserts lit by the baleful and calamitous beacons of volcanoes? Or seekest thou an extremer shore, where the red and monstrous lilies are like a royal pageant, pausing with innumerable flambeaux held aloft on the verge of the waveless waters?”
“Nay, it is none of these that I seek, but forevermore I seek the city and the land of my former home: In the quest thereof I have wandered from the first, immemorable years of my youth till now, and have mingled the dust of many realms, of many highways, in my garments’ hem. I have seen the cities greater than Rome, and the fanes more white than the clouds of summer; the lands unpeopled and unexplored, and the land that is thronged by the red and monstrous lilies. Even the far, aerial walls of the cities of mirage, and the saffron meadows of sunset I have seen, but nevermore the city and land of my former home.”
“Where lieth the land of thine home? And by what name shall we know it, and distinguish the rumour thereof, among the rumours of many lands?”

Versie 1

“Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zoveel omslachtige wegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van vreemde manen? Dwaalt gij op zoek naar de steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische zeeën? Of vaart gij naar de ontvolkte en onverkende landen, naar de zonloze woestijnen verlicht door de onheilspellende en rampzalige bakens van vulkanen? Of zoekt gij een verder gelegen kust, waar de rode en monsterlijke lelies zijn als een koninklijke optocht die stil houdt, met ontelbare flambouwen hoog gehouden, aan de rand van de roerloze wateren? “

“Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek immer de stad en het land van mijn vroegere thuis: In de zoektocht daarnaar ben ik afgedwaald van de eerste, vergetenswaardige jaren van mijn jeugd tot nu toe, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom mijn kleren vermengd. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de ontvolkte en onverkende landen, en het land, dat wordt overwoekerd door de rode en monsterlijke lelies. Zelfs de verre, luchtige muren van fata morgana’s, en de saffraankleurige weides van de zonsondergang, maar nimmer meer de stad en het land van mijn vroegere thuis.”

“Waar ligt het land van jouw thuis? En onder welke naam zal het bij ons bekend zijn, en onderscheidt het verhaal van dat land zich van de verhalen van vele landen?”

Versie 2

De reiziger
“Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zoveel omslachtige wegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van verre manen? Dwaalt gij op zoek naar steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische* zeeën? Of vaart gij naar onbewoonde en onverkende landen, naar zonloze woestijnen verlicht door de boze en rampspoedige monden van vulkanen? Of zoekt gij een verre kust, waar de rode en gruwelijke lelies staan als een koninklijke stoet die talmt aan de rand van roerloze wateren, met ontelbare flambouwen hoog geheven?”
“Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek nog altijd de stad en het land waarvandaan ik kwam: in de zoektocht daarnaar heb ik gezworven van de eerste, onheuglijke jaren van mijn jeugd tot aan nu, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom mijn kleding vermengd. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de onbewoonde en onverkende landen, en het land dat wordt overwoekerd door de rode en gruwelijke lelies. Zelfs de hoge, luchtige muren van fata morgana’s, en het gloren van de avondschemer heb ik gezien, maar nimmer meer zag ik de stad en het land waarvandaan ik kwam.”
“Waar ligt het land waarvandaan je kwam? En hoe zullen we het noemen, en de geruchten erover herkennen tussen de geruchten over andere landen?”

Versie 3

De reiziger
“Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zo vele omwegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van verre manen? Dwaalt gij op zoek naar steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische* zeeën? Of vaart gij naar onbewoonde en onverkende landen, naar zonloze woestijnen verlicht door de boze en rampspoedige monden van vulkanen? Of zoekt gij een verre kust, waar rode en gruwelijke lelies staan als een koninklijke stoet die talmt aan de rand van roerloze wateren, met ontelbare flambouwen hoog geheven?”
“Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek nog altijd de stad en het land waarvandaan ik kwam: in de zoektocht daarnaar heb ik gezworven van de eerste, onheuglijke jaren van mijn jeugd tot nu toe, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom mijn kleding vermengd. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de onbewoonde en onverkende landen, en het land dat wordt overwoekerd door de rode en gruwelijke lelies. Zelfs de hoge, luchtige muren van fata morgana’s, en het goud van de avondzon over de velden heb ik gezien, maar nimmer meer zag ik de stad en het land waarvandaan ik kwam.”
“Waar ligt het land waarvandaan je kwam? En hoe zullen we het noemen, en de geruchten erover herkennen tussen de geruchten over andere landen?”

Versie 4

De reiziger
‘Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zo vele omwegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van verre manen? Dwaalt gij op zoek naar steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische* zeeën? Of vaart gij naar onbewoonde en onverkende landen, naar zonloze woestijnen verlicht door de boze en rampspoedige monden van vulkanen? Of zoekt gij een verre kust, waar rode en gruwelijke lelies staan als een koninklijke stoet die talmt aan de rand van roerloze wateren, met ontelbare flambouwen hoog geheven?’
‘Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek nog altijd de stad en het land waarvandaan ik kwam: in de zoektocht daarnaar heb ik gezworven van de eerste, onheuglijke jaren van mijn jeugd tot nu toe, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom van mijn kleding vergaard. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de onbewoonde en onverkende landen, en het land dat wordt overwoekerd door de rode en gruwelijke lelies. Zelfs de hoge, luchtige muren van fata morgana’s, en het saffraan* van velden in de avondzon heb ik gezien, maar nimmer meer zag ik de stad en het land waarvandaan ik kwam.’
‘Waar ligt het land waarvandaan je kwam? En hoe zullen we het noemen, en de geruchten erover herkennen tussen de geruchten over andere landen?’

Aantekeningen bij De reiziger
Dit prozagedicht werd door Smith opgedragen aan Violet Nelson Heyer (1905- 1996) vriend en buur van Smith en zijn ouders.
hyperboreïsch
Deze term wordt in deze tekst gebruikt in de betekenis van ‘heel koud’ of ‘zeer noordelijk’. Dit in tegenstelling tot in later werk van Smith, zoals De muse van Hyperborea, waarin de term verwijst naar een mythisch continent, geïnspireerd op theorieën uit de theosofie.
Babel
Wellicht ten overvloede vermeld ik dat Babel of Babylon een stad is uit de oudheid die lag in het tegenwoordige Irak. De ‘barbaarse tongen’ verwijzen naar het bijbelverhaal Genesis (11:1-9) waarin een toren wordt gebouwd die tot in de hemel zou reiken. God veroorzaakt daarop een spraakverwarring, zodat de mensen elkaar niet meer konden verstaan en de toren niet kon worden voltooid.
het saffraan van velden in de avondzon (saffron meadows of sunset)
Saffron betekent in het Engels krokus, en als kleuraanduiding wordt er een diepgele, goudgele of saffraangele tint mee bedoeld. De tint ligt tussen zuiver geel en oranje en verschilt in de praktijk nauwelijks van amber. Al bij oude Perzische dichters wordt de kleur van de zon bij opkomst of ondergang geassocieerd met saffraankleurig.

Interpretatie

Deze laatste formulering (‘het saffraan’) is typisch voor Smith. Voor de oppervlakkige lezer wordt direct een beeld opgeroepen van de kleuren van de avondzon over verre velden. Maar Smith vergelijkt niet rechtstreeks de keur van de avondzon met saffraan; het is een omkering, terug naar de oorspronkelijke betekenis. De velden zelf zijn saffraankleurig. Bij herlezing roept dat de vraag op of het werkelijk saffraanvelden (krokusvelden) zijn, of dat ze door de avondzon alleen zo kleuren. Even lijkt het een gemeenplaats uit de romantische school, maar toch kietelt Smith de lezer hier een beetje; en zo versterkt hij de inhoud. Wat zijn dat soort velden, en waar liggen ze? De lezer zoekt op dezelfde manier betekenis als de reiziger zijn thuisland. En de omkering die in deze formulering in het klein plaatsvindt, geldt wellicht voor de hele tekst. In de hoogtijdagen van de romantiek was die gegaan over de zoektocht zelf, de ontwikkeling van de mens geschreven aan de hand de allegorie van de reiziger. Smith plaatst die reiziger bewust aan het eind van zijn dagen: altijd op reis geweest, maar zijn thuisland nooit gevonden. Hoewel het naadloos aansluit op de romantische thematiek voegt Smith er ook een ironisch laag aan toe. Al het zoeken en reizen heeft eigenlijk nergens toe geleid. De lezer blijft achter met een weemoedige glimlach om de lippen; ach, zie wat er er te langen leste over blijft van de romantische idealen. Een handvol dromen, geruchten en herinneringen.

Hoe de heimwee geboren werd

Het titelvignet uit de bundel

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Mijn liefde voor het werk van Clark Ashton Smith begon eind jaren ’80. Ik las in mijn tienerjaren graag fantasy. Hoe ik het genre ontdekte en terug ging lezen in de tijd heb ik eens beschreven in het essay Over de voorde naar de bron. Van Smith was maar een beetje werk in het Nederlands uitgegeven. Twee bundeltjes door Bruna in hun ‘Fantasy en Horror’ reeks en een bundel door MeulenhofSF Zothique en andere verloren werelden. Een paar losse verhalen waren opgenomen in anthologieën. Zijn werk viel me op: de verhalen waren origineel, de werelden betoverend en alleen al het taalgebruik was van een variëteit die ik van andere auteurs niet kende. Ik las ook wel in het Engels, maar waar me dat bij schrijvers als Tolkien en Dunsany relatief weinig moeite kostte, toonde het proza van Smith zich weerbarstiger. De zinsopbouw en de woordkeus zelf leek soms afkomstig uit verre werelden. Maar ook al begreep ik niet alles meteen: ik was wel bevangen door de schoonheid van zijn taal. En de verhalen gaven voortdurend de suggestie dat er meer te ontdekken viel. Iedereen zin leidde naar een nieuw vergezicht op verloren werelden. Gelijktijdig waren zijn thema’s en personages universeel; het ging veelal om angst en liefde. In ieder tijdgewricht zullen er schrijvers en lezers zijn die, verlangend en een beetje angstig, op hun rug in het gras naar de sterren staren en fantaseren over tijden van weleer en de eonen die nog komen gaan. Smith stoorde zich niet aan de conventies van zijn tijd en schreef met een subtiel gevoel voor humor over dood, lust en liefde zoals weinig tijdgenoten dat konden of durfden. Daarin was hij zijn tijd ver vooruit. En daardoor voelt zijn werk, ondanks het archaïsche taalgebruik, soms opmerkelijk eigentijds.

Door de jaren heen keerde ik vaak terug naar het werk van Smith, en dan met name zijn prozagedichten. Daarin vond ik alle thema’s en alle taalkundige schakeringen samengebald in een bescheiden corpus aan teksten. Voor mij vormen die teksten de kern van zijn werk. Het heeft de poëtische schoonheid van zijn gedichten, en de rijkheid aan ideeën van zijn proza.

Nadat ik eind 2019 het schrijven van Oom Ludo had afgerond en terwijl ik voorbereidingen trof om dat werk uit te geven, zocht ik een schrijfproject voor tussendoor. Een werk om het pallet te reinigen, zoals je een stukje brood eet en een slok water drinkt tussen het proeven van twee verschillende soorten wijn. Het mocht een vingeroefening zijn. Ik had een kort verhaal kunnen schrijven. Of een paar gedichten. In plaats daarvan pakte ik een klus op waar ik al vaker kort aan gewerkt had; het vertalen van de prozagedichten van Clark Ashton Smith. Om alle facetten van die teksten te doorgronden was ik begonnen ze voor mezelf te vertalen.

Deze keer werd ik nog meer gegrepen door de teksten dan alle vorige keren. Het gevoel bekroop me dat ik deze teksten graag aan de vergetelheid wilde ontrukken en dat ik mijn plezier met anderen wilde delen. Misschien beschouw ik dat wel als een morele plicht van een schrijver: om af en toe een werk uit de kast te halen, af te stoffen en voor het voetlicht te plaatsen. Zo laat je als schrijver aan de wereld zien: zie wie ons is voorgegaan. Dit inspireerde mij. Dit moet gelezen worden.

Eerlijk gezegd: het was ook een beetje mijn coronaproject. De lock-downs hadden hun weerslag. Graag had ik in 2020 meer tijd en aandacht besteed aan de promotie van Oom Ludo. Maar de publieke boekpresentatie en ludieke promotie, die zaten er even niet in.

En gaandeweg werd het voor mijzelf op vele vlakken ook een meesterproef: in bekwaamheid, in doorzettingsvermogen en in besluitvaardigheid. Bij prozagedichten gaat het niet alleen om de betekenis, maar ook om het ritme en de klank, om alle symboliek, de verwijzingen en de stijl. Ik wilde recht doen aan de romantische weelde van het proza, maar de tekst ook bezorgen aan de lezer van nu. Bij iedere keer dat ik een vertaalde zin herlas bekroop mij de twijfel: was dit werkelijk hoe die zin er heden ten dage in het Nederlands moest staan? Meerdere keren nadat ik alle teksten had geredigeerd kwam ik tot de conclusie dat met de opgedane ervaring eigenlijk nòg een redactieronde nodig was. In een volgend blog zal ik een aantal versies van een vertaling eens naast elkaar zetten.

En terwijl ik aan de vertaling werkte groeide het besef dat er eigenlijk meer nodig was dan alleen vertalen. Het schrijven van een goede inleiding. Een verklarende woordenlijst. Een beknopte bibliografie. Gelukkig kreeg ik hulp en bijval. Met eindeloos geduld las Nico Assinck alle vertalingen met mij mee en gezamenlijk herkauwden we alle woorden. William Dorman, de stiefzoon van Smith en beheerder van de literaire nalatenschap, gaf toestemming om het werk in vertaling uit te geven. Tais Teng, schrijver, illustrator èn ook een liefhebben van het werk van Smith, toonde zich bereid om illustraties voor de uitgave te leveren.

Wat begon als een pennenproef, groeide al doende uit tot een fascinerende, intensieve en tijdrovende klus. Twee coronajaren gingen voorbij. We beleefden menig lockdown. Ik wisselde van baan. En ondertussen werkte ik gestaag door. Ik zette uiteindelijk alle twijfel en neiging tot herkauwen van de tekst opzij en leverde een complete vertaling op.

Het heeft even geduurd, maar nu is de publicatie van dit eindresultaat in zicht. Dit najaar verschijnen de prozagedichten in een gebonden en geïllustreerde uitgave. Een prachtbundel, waarvan de vorm is geïnspireerd op de boeken van uitgeverij Arkham House, de eerste uitgever van het werk van Smith.

Het werk is in de eerste plaats geboren uit mijn liefde voor het werk van Clark Ashton Smith, en ik hoop dat met deze vertaling meer mensen in Nederland zijn werk, en de heimwee naar het onbekende, zullen (her)ontdekken.

Dit is de eerste uit een reeks blogs over Clark Ashton Smith en de uitgave Heimwee naar het onbekende. In volgende blogs zal ik onder andere ingaan op de inhoud van de teksten, het vertaalproces en leven en werk van Smith.

Bureaucratie, romantiek en het kijken naar de wereld

Er zitten weer leuke zaken in de pen. Hierbij drie projecten die dit jaar op stapel staan.

De strijdlustige en schijnbaar onvermoeibare Jac Splinter brengt onder de titel “Ja maar meneer ik doe ook maar mijn werk” Het Grote Bureaucratie Vakantieboek uit. Het wordt een boek met een-derde serieuze zaken over bureaucratie, en twee-derde satire en spelletjes. In die laatste categorie schreef ik voor deze uitgave een kort verhaal ‘Het formulier’ en een stuk interactieve fictie in de stijl van de ‘kies je eigen avontuur’ boeken. Meer nieuws over de boekpresentatie (verwacht in april) volgt te zijner tijd, maar bestellen kan nu al bij Jac.

Ik werk op dit moment aan de vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith (1893-1961). Voor velen is hij wellicht een onbekende. Clark Ashton Smith was schrijver, dichter en beeldhouwer. Als dichter kreeg hij al vroeg erkenning, mede door lof van de dichter George Sterling. Smith wordt gerekend tot de West Coast Romantics naast onder andere Joaquin Miller en Nora May French. Hij wordt ook wel bestempeld als ‘The Last of the Great Romantics’. Als schrijver van korte prozaverhalen was Smith een van “de grote drie” rond het blad Weird Tales, samen met Robert E. Howard en H. P. Lovecraft. Smiths fantasy en science fiction werk werd alom geprezen door zijn collega’s en critici. Zijn werk wordt gekenmerkt door een buitengewoon rijke en sierlijke vocabulaire, een kosmisch perspectief en een zweem van sardonische humor. Alledrie die ingrediënten zijn terug te vinden in zijn prozagedichten. In de komende weken zal ik een paar blogs schrijven over de voortgang van dit project en een paar voorproefjes publiceren.

‘Schrijf je nog wel eens wat?’ vragen mensen me weleens. Jazeker! Afgelopen jaar schreef ik de broodtekst van een groots en meeslepend werk over Oom Ludo. Met mijn vrij bondige stijl is dat netjes 60k aan woorden of ruim 200 pagina’s. Romandikte zeg maar. Wie me op facebook of instagram volgt heeft al eens foto’s met de #oomludo gezien. Dat zijn eigenlijk karakterstudies: een manier om uit te zoeken hoe Oom Ludo naar de wereld kijkt. Waar het boek over gaat?

Oom Ludo kijkt dagelijks uit op een parkje. Op een dag staat er een bord dat er een torenflat wordt gebouwd. Dit brengt hem in beweging: hij gaat op onderzoek uit en organiseert op geheel eigen wijze verzet…

De werktitel is Parkzicht. Het kan ook nog ‘ Het parkje van de windstreken’ worden, of misschien wel ‘De avonturen van Oom Ludo of Het kijken naar de wereld’. Het werk zit in de redigeerfase en ik hoop komende maanden de plannen voor publicatie te kunnen presenteren.