Het juiste plaatje bij de juiste tekst

Een goede illustratie laat niet zien wat er in een tekst staat. Een goede illustratie verbeeldt en versterkt de tekst zodanig dat de verbeelding van de lezer nog altijd geprikkeld wordt. En andersom moet het ook kloppen. De tekst voegt iets toe en beschrijft niet alleen wat er is verbeeld. Maar wat moet het dan precies toevoegen?

Carl Hollander (bron: Letterkundig Museum)

Als ik terug denk aan werken met illustraties die me zijn bijgebleven denk ik met name aan vele kinderboeken. Als eerste aan Carl Hollander, die de boeken van Paul Biegel illustreerde. Vervolgens aan de etsen bij het werk van Jules Verne en Alexandre Dumas. Die illustraties gaven toch vrij letterlijk weer wat er gebeurde? Bij de meeste volwassen literatuur is het plaatsen van illustraties helaas een beetje ‘uit’. Menig roman werd wel verstripboekt, maar dat is toch een ander genre. Fantasy en SciFi worden soms wel rijkelijk geïllustreerd – ik denk dan als eerste aan het werk van Tolkien. Wat Tolkien zelf maakte, en ook het werk van Pauline Bayes, kan ik erg waarderen. Het recentere werk, zoals dat van John Howe, is me wat te realistisch en te letterlijk. Het laat me weinig ruimte voor mijn eigen fantasie. De sfeer smaakt me minder – te weinig mysterie en verwondering. Het werk is te af. Als ik zo’n plaatje zie denk ik eigenlijk nooit: ‘waar zou dat verhaal over gaan’ of ‘wat zou er achter die horizon liggen?’

Ik denk dat ik de kern raak met ‘sfeer en verwondering’. Dat was precies waarom ik zo blij was toen Tais Teng aanbood om illustraties voor Heimwee naar het onbekende te leveren. Zijn werk doet precies dat: verwondering opwekken. De teksten van Smith en Tais werk versterken elkaar over en weer. Naast elkaar ga je ze beide met andere ogen bekijken.

Bij de eerste integrale uitgave van Smiths prozagedichten koos uitgeverij Arkham House voor de illustrator Frank Utpatel. Zijn stijl is vrij klassiek, en sluit goed aan bij de romantische kant van Smiths werk. Het doet me denken aan de illustraties van Sidney Sime bij het werk van Dunsany. Dat is op zichzelf prachtig, maar bij de bizarre en kosmische kant past in mijn beleving ander soort werk.

Smith maakte zelf ook illustraties. Die zijn gemaakt in een eenvoudige, bijna naïeve stijl. Het wordt gekenschetst als ‘outsider art‘. Smith koos die stijl bewust. Omdat zijn verhalen in verre, bizarre werelden speelden vond hij een conventionele stijl of techniek niet passend. Hoewel ik dat kan waarderen vind ik die stijl minder geschikt om naast tekst te plaatsen. Soms is het tè naïef en daarmee minder toegankelijk en teveel een ‘acquired taste’. Veel lezers zal het juist van de tekst afleiden in plaats van uitnodigen om van de tekst en plaatjes naast elkaar te genieten.

Er is een stijl nodig die wel de vervreemding en verwondering oproept, zonder de lezer af te stoten of teveel te verwarren. Niet voor niets koos Arkham House bij de uitgave A Rendezvous in Averoigne voor illustraties van Jeffrey K. Potter. Diens werk vertoon in de verte wel wat gelijkenis met dat van Tais Teng door het foto-realisme, de collageachtige technieken en het gebruik van fractalen. De thema’s zijn eveneens betoverend, bizar en vervreemdend: het is makkelijk er de vergezichten in te zien aan het einde van tijd en ruimte, zoals Smith die in zijn teksten verbeeldt.

Tais Teng verstaat die kunst ook; de lezer-beschouwer wordt geprikkeld om te fantaseren en bij iedere schakeling tussen tekst en tekening kan je iedere keer weer nieuwe dingen ontdekken. Uiteindelijk plaatste ik zestien werken bij de teksten waarmee het een prachtige en zeer rijk geïllustreerde bundel is geworden.

Op de projectpagina van Heimwee naar het onbekende vind je ook de omslagillustratie en het frontispice.

De thema’s van Clark Ashton Smith

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Iemand zou me kunnen vragen: ‘Dat werk van die Clark Ashton Smith, waar gaat dat eigenlijk over?’ Hij behandelt een veelheid aan onderwerpen en thema’s, en wie al zijn werk leest ontwaart daar wel een patroon in. Ik heb getracht van die elementen in een overzichtelijk lijstje te maken.

  1. Het verlangen naar verre werelden en andere tijden. Dit is in beginsel een vrij klassiek romantisch thema. Onderwerpen uit de Griekse mythologie, fabels uit het verre oosten en steden uit de verhalen van duizend-en-een-nacht passeren zowel in zijn proza als in zijn poëzie regelmatig de revue. In tegenstelling tot veel andere romantische schrijvers verheerlijkt Smith die tijden en plaatsen meestal niet. Hij wekt wel een gevoel van weemoed en verlangen op naar wat ver en verloren is, maar hij maakt het niet mooier dan het hoeft te zijn. Sterker nog: vaak benadrukt hij hoezeer het vervallen is; van al dat schoons is niet veel over. Daarin toont Smith dat hij, ondanks zijn weelderige schrijfstijl, de romantiek ook een beetje voorbij is en er als schrijver van de 20ste eeuw op reflecteert. Goede voorbeelden zijn de prozagedichten Het heengaan van Aphrodite en Narcissus, maar ook bijvoorbeeld Chinoiserie.
  2. Het kosmische & de droom. Smith kiest vaak voor het grote plaatje en het verre perspectief. We bewegen ons in een onmetelijk universum en door eonen van tijd. De schrijver is daarin zowel de alwetende schepper als een nietig en onbeduidend vlekje. Typische voorbeelden zijn Uit de krochten van het geheugen (zie citaat bovenaan) en De kristallen. Vaak wordt dit perspectief gecombineerd met de droom en het onderbewuste. Ik had het als twee verschillende thema’s kunnen benoemen, maar bij Smith liggen ze zo dicht bij elkaar, en vloeien zozeer in elkaar over, dat ik ze bij voorkeur als één benoem. Juist de droom en de fantasie vormen de poort naar het echte verre of kosmische perspectief.
  3. Het bizarre en vervreemdende. Het verlangen naar verre werelden en andere tijden wordt regelmatig vermengd met het kosmische perspectief. Smith kiest onderwerpen en werelden en plaatst ze in vroege tijden of juist in de nadagen van ons zonnestelsel. In zijn korte verhalen doet hij dat op de verloren continenten Poseidonis en Atlantis en in de toekomstige wereld Zothique. Die plekken en verhalen zijn zo ver dat het vreemde en bizarre de boventoon voert. Dit kenmerkt het merendeel van zijn korte verhalen en is ook in zijn prozagedichten soms terug te vinden. De bloemenduivel is een goed voorbeeld. De openingszin; “In een font van porfier, op de top van een pilaar van serpentijn, heeft het ding sinds de oertijd bestaan, in de tuin van de koningen die heersen over equatoriaal gebied op de planeet Saturnus.”
  4. De liefde. Gelukkig is niet alles kosmisch of bizar. Een wezenlijk thema bij Smith is de liefde. Als er iets is dat hoop en zin geeft is het de liefde en het menselijk verlangen daarnaar. Niet altijd is de liefde hoopvol of gespeend van ironie; regelmatig is de liefde verloren of onbereikbaar. Maar er is ook menig gedicht dat enkel de liefde en het verlangen beschrijft, zonder de bijsmaak van rouw of wanhoop. Kijk uit naar de prozagedichten De litanie van de zeven kussen en (ondanks de titel) De verschrikking van de woestenij en Offergave.
  5. Humor, en dan vooral: de ironie. Als je humor moet aanwijzen of uitleggen is als snel de aardigheid eraf. Maar bij Smith helpt het wel om de lezer een beetje op weg te helpen, want de humor komt in de vorm van ironie, die vaak erg situationeel is, en waarvoor je de tekst een beetje in zijn historische context moet plaatsen. In de tekst Narcissus beschrijft Smith de Griekse held starend in een poel nogal beduimeld water. Dat vind ik op zichzelf al vrij hilarisch, bij de gedachte dat van oudsher Narcissus wordt afgebeeld naast kristalhelder water, waarin hij verliefd naar zijn eigen beeltenis kan staren. En in het vervolg van het vers schrijft Smith niet veel meer dan ‘en als hij in de weerspiegeling zijn eigen gelaat en ogen vindt, zal hij ook zelf wel zien dat hij niet helemaal goed snik is’. Maar dat dan in prachtige volzinnen. Het is de moeite waard om de teksten van Smith te lezen en alert te zijn op milde satire en speelse relativeringen. Lees bijvoorbeeld ook Het heengaan van Aphrodite en De Demon, de Engel en Schoonheid door die bril. Bij sommige teksten is de humor toegankelijker zoals bij de dialoog Het lijk en het skelet.

Zonder twijfel zijn er nog andere onderwerpen en thema’s in het werk van Smith te ontdekken. En sommige thema’s kun je verder splitsen of onderverdelen. Tot slot moet ik benoemen dat de rode draad door al die thema’s heen het taalgebruik van Smith is. Dit is het meest kenmerkend. Hij schrijft zelf over zijn schrijfstijl; ‘Mijn eigen bewuste ideaal is de lezer te misleiden tot het aanvaarden van een onmogelijkheid, of een reeks van onmogelijkheden, door middel van een soort verbale zwarte magie, waarbij ik gebruik maak van proza-ritme, metafoor, vergelijking, klankkleur, contrapunt en andere stilistische middelen, als een soort bezwering.’

Dus wie mij vraagt waar het werk van Smith over gaat, moet ik eigenlijk, al dan niet met enige ironie, antwoorden: verwacht niets dan betoverd te worden.

De schoonheid van een zonderling

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Artikel op de voorpagina van The Call, San Francisco 2 augustus 1912

Clark Ashton Smith is wellicht wat je noemt een ‘writers writer’; een schrijver die vooral door andere schrijvers wordt gelezen en aanbevolen. Wellicht vooral voor de literaire fijnproever. Zonder twijfel kwaliteit, met enige erkenning, maar zonder al te veel succes. (Lees meer over het fenomeen writer’s writer in The NewYorker en op LitHub).

Smith behoorde samen met H.P .Lovecraft (Cthulhu Mythos) en Robert E. Howard (Conan the Barbarian) tot ‘de grote drie’ van het tijdschrift Weird Tales. Hij was waar het ging om vakmanschap en originaliteit wellicht de beste schrijver van de drie. Die suggestie wordt door collega schrijvers en critici met regelmaat gewekt. Of dat waar is blijft natuurlijk voer voor debat, maar hoe dan ook is vermeend de beste zijn nooit een waarborg voor het hebben van succes en het bereiken van de grootste lezersschare.

Dat geldt ook voor zijn poëzie. Smith was in de eerste plaats een dichter en hij oogstte al jong lovende kritieken. Kranten noemden hem een wonderkind, de ‘the Boy Genius of the Sierras’ en ‘the Keats of the Pacific Coast’. Hij werd geroemd door literair kopstuk Ambrois Bierce en hij werd de protegé van de destijds bekende Californische schrijver George Sterling. Maar een echte landelijke doorbraak als dichter kwam er nooit. Dat zal wellicht voor een deel aan de poëzie zelf gelegen hebben; de literaire trend neeg al naar realisme en modernisme en de belangstelling voor de romantiek was tanende. Maar doorslaggevend was zonder twijfel Smith’s zeer bescheiden en teruggetrokken aard.

Clark Ashton Smith werd geboren op 13 januari 1893 in Long Valley, Californië. Smith had in zijn jonge jaren een zwakke gezondheid, en hij leed aan angsten. We weten niet met zekerheid wat hij zoal mankeerde, maar wel dat het bepalend was voor zijn ontwikkeling. Omdat hij veel thuis bleef, las hij uit de lokale bibliotheek. Uiteindelijk nam hij, gesteund door zijn ouders, zijn eigen opleiding en ontwikkeling ter hand. Hij studeerde uit de Encyclopedia Brittanica en de Websters Unabridged Dictionary, en las die in hun geheel door. Smith had een goed geheugen voor feiten en woorden, en zijn zelfstudie heeft zijn rijke woordenschat en zijn voorliefde voor het gebruik van een nauwgezet, kleurrijk idioom sterk beïnvloed.

Zijn ouders waren arm en woonden in een blokhut op een afgelegen stukje land. Smith heeft George Sterling slechts een enkele keer in San Francisco bezocht. Uit overgebleven correspondentie lijkt gebrek aan geld daarvoor de voornaamste reden, maar het laat zich raden in hoeverre Smiths karakter daarbij een rol heeft gespeeld.

Smith heeft daar in die blokhut van zijn ouders tot hun overlijden voor hen gezorgd en er ook daarna nog lang gewoond. Hij voorzag in zijn onderhoud met fysieke seizoensarbeid; zoals het hakken van hout en graven van waterputten. Hij is de staat Californië van zijn levensdagen nooit uit geweest.

de blokhut van de familie Smith (bron: eldritchdark.com)

Zoals gezegd, de positieve ontvangst van zijn poëzie betekende nog geen financieel succes. Smith’s productie was onregelmatig. Om ook met zijn schrijfwerk voor wat meer inkomsten te zorgen, begon Smith met het schrijven van verhalen. Daar stopte hij mee na het overlijden van zijn ouders, en op een moment dat het succes van Weird Tales over het hoogtepunt heen was. Smith trouwde op latere leeftijd en legde zich zijn laatste jaren naast het dichten toe op het snijden van beeldhouwwerken.

In de diverse herinneringen aan Smith die door vrienden en bekenden op papier zijn gesteld wordt een beeld geschetst van een vriendelijke, beminnelijke man. Hij was verre van wereldvreemd, maar zeer op zichzelf en hij leek zijn teruggetrokken, kluizenaar-achtige bestaan te koesteren. Van de diverse literaire vrienden die hij had, heeft hij alleen diegenen in levende lijve ontmoet die de moeite namen om naar Californië af te reizen en hem op te zoeken. H.P. Lovecraft en Robert E. Howard, die hij tot zijn vrienden rekende, heeft hij nooit ontmoet. De vriendschap bloeide in een uitgebreide correspondentie.

Zijn leven en aard fascineert me. Ik aard ook wel een beetje naar zo’n zonderling. Niet voor niets schreef ik een boek over Oom Ludo, die de wereld net iets anders ziet dan anderen, en zich bij voorkeur op zijn kamer terugtrekt. Ik stel mij voor dat Smith’s wereld toch vooral bestond uit de boeken die hij las. Die voerden hem mee naar verre oorden en andere tijden. En op het afgelegen stukje land waar hij woonde, verstoken van elektriciteit en stromend water, had hij ’s avonds alle tijd om naar de sterrenhemel te staren en te mijmeren over wat er allemaal kon bestaan aan de uiteinden van de eindeloze tijd en ruimte.

De poëtica van de vertaler

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Je bent als vertaler van poëzie toch een beetje een kind in een snoepwinkel: er is zoveel om uit te kiezen en op het eerste gezicht lijkt alles lekker. Maar het is dan wel een exotische, buitenlandse snoepwinkel, en je wilt snoep kopen dat je zelf lekker vindt èn waar je thuis mee aan kunt komen.

Over het vertalen van poëzie is door anderen al heel wat afgeschreven. Rudy Kousbroek schreef er over: ‘Poëzie lezen in vertaling is iets als liefkozen met handschoenen aan. Het kan heel opwindend zijn, maar wat je voelt blijft toch altijd de binnenkant van de handschoen.’ Komrij verwoordde het dilemma van de dichter-vertaler met de stelling dat een gedicht door honderd vertalers op wel honderd verschillende manieren vertaald zou worden. (zie hier) Een andere schrijver merkte eens fijntjes op dat de mensen die het Nederlands ongeschikt vinden om poëzie in te vertalen ezels zijn die denken dat het de taal is die balkt. Ik kon niet terugvinden wie dat ooit zei. Misschien was het Komrij, of Gerard Reve. Of wellicht verdraaide ik de uitspraak onbewust zodat die in mijn straatje past. Hoe dan ook, ik realiseer me dat de vertaling nooit gelijk is aan het origineel, en dat er altijd mensen zullen zijn die je er niet mee kunt bekoren, maar het hoeft geen mindere kopie te zijn. Als het goed gedaan is, is het een kunstwerk dat op eigen kracht kan staan, gelijkwaardig aan de brontekst. Ik genoot zelf zeer van het vertaalwerk van bijvoorbeeld Ernst van Altena (o.a. Franse chansons en François Villon), Menno Wigman (vertaalde Baudelaire – overigens ook een inspiratiebron voor Smith) en Jan Rot (vele hertalingen van songteksten). Ook waar het gaat om het vertalen van poëtische fantasy valt er in het Nederlands veel te genieten. Ik denk dan aan werk van Helen Knopper (De Worm Ouroboros) en Frits van der Waa (Ghormengast). Het werk van Tolkien, inclusief zijn poëzie, werd briljant vertaald door Max Schuchart (o.a. LOTR), Peter Cuijpers (het metrische De kinderen van Hùrin) en Renée Vink (o.a. de herziene vertaling van Tom Bombadil – lees ook haar persoonlijke verslag over het vertalen van Tolkiens poëzie). Voor mij toonden al die vertalingen aan dat het mogelijk moest zijn en de moeite waard was om ook het werk van Clark Ashton Smith in het Nederlands te vertalen.

Zoals ik in mijn vorige blog schreef was de start van mijn vertaalproces vrij praktisch en intuïtief. Pas bij de tweede revisie realiseerde ik me dat het verstandig was een paar toetsstenen en uitgangspunten voor mezelf te formuleren. De visie die ik gaandeweg ontwikkelde kwam op het volgende neer;

  • De Nederlandse tekst moest in de letterlijke betekenis nauw aansluiten bij het Engelse origineel. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat hoeft het voor poëzie niet te zijn. Daar kan de vorm, het ritme en de klank de vertaler soms dwingen om vrijer met de tekst om te gaan. Het is niet zo dat ik me geen vrijheden heb gepermitteerd, maar ik heb me er nergens toe laten verleiden om de inhoud te veranderen ‘omdat ik het zo in het Nederlands mooier vond’. Inhoudelijke vrijheden moesten noodzakelijk zijn omdat de vorm of onderliggende betekenis daarom vroeg.
  • Het ritme van de zinnen moest op dezelfde manier stuwend en lokkend zijn. Smith’s interpunctie is op z’n zachts gezegd eigenzinnig. Zonder ook maar ergens te willen vervallen in al te Engels aandoende formuleringen, wilde ik graag de zinslengte en zangerige opeenstapeling van beschrijvingen behouden. De enige manier om dat te doen, en tot een goed lopende tekst te komen, was door beurtelings de vertalingen en het origineel steeds hardop voor te lezen (of ‘hardop in mijn hoofd’, om mijn man niet te zeer te verstoren).
  • Nederlandse tekst moest net zo rijk aan woorden zijn als het Engelse origineel. Dat werd extra belangrijk omdat ik bij het lezen van Smiths biografie ontdekte dat hij een welhaast fotografisch geheugen had en in zijn jonge jaren de onverkorte versie van Websters Dictionary gelezen had. Smith had een voorliefde voor het gebruik van een zeer gevarieerd idioom. Dat maakte het voor mij noodzakelijk om van ieder Engels woord te beoordelen hoe alledaags, of juist vreemd en uitheems het begin 20ste eeuw was geweest. En vervolgens om daar een equivalent voor te vinden dat honderd jaar later een vergelijkbare leeservaring zou geven in het Nederlands. Nergens wilde ik twee verschillende Engels woorden door één Nederlands woord vervangen. En nooit vond ik het acceptabel om een zeldzaam of bijzonder woord in het Engels te vertalen met een vrij gebruikelijke en bekende Nederlandse term. En andersom gold uiteraard: een vrij gebruikelijke formulering in het Engels mocht niet al te exotisch of gekunsteld worden in het Nederlands.
  • Er mocht me natuurlijk niets ontgaan. Verwees een zin ergens naar: een oude Griekse mythe of een Amerikaanse zegswijze? Was de tekst eigenlijk ironisch bedoeld? Waar dat het geval was, of ook maar kon zijn, moest de vertaling evenzeer ruimte laten voor die lezing. Ik raadpleegde ook parallel het origineel en de vertaling van menig klassiek werk, dat Smith zonder twijfel ook had gelezen. Onder andere het oude testament (de Statenvertaling), de Odyssee (met dank aan Imme Drost) en een achttiende-eeuwse vertaling van De Goddelijke Komedie. Op basis daarvan koos ik soms zorgvuldig formuleringen die de inspiratiebron van Smith ook in de vertaling nog zichtbaar konden maken.
  • En uiteindelijk moest de tekst bezorgd worden aan de hedendaagse Nederlandse lezer. Dat is natuurlijk een beetje gedoemd te mislukken: ik heb niet de illusie dat ik een heel breed lezerspubliek zal bereiken. Maar ik hield me bij het navorsen van alle oude vertalingen en archaïsche woorden steeds voor: het is inmiddels honderd jaar later. We leven en lezen in de 21ste eeuw. Daar waar de vorm en betekenis van de tekst het ook maar enigszins toelieten bouwde ik zinnen en koos ik woorden ‘van nu’.
  • Soms moet je stoppen met twijfelen: neem een besluit en accepteer dat je het morgen anders had vertaald. Niemand is gebaat bij een vertaling die nooit af komt.

Het voert te ver om hier bij al deze uitgangspunten voorbeelden te geven (dat bewaar ik wellicht voor een passende lezing of boekpresentatie) maar ik vind het leuk om tot slot het vertaalproces en de bijbehorende redactierondes te illustreren aan de hand van de eerste drie alinea’s van de openingstekst ‘De reiziger’. Het origineel en opeenvolgende versies van de vertaling, met een paar aantekeningen, staan onder dit blog.

Heb ik uiteindelijk de juiste keuzes gemaakt? (NB: retorische vraag.) Waar dat niet zo is hoop ik troost te putten uit nog een citaat uit 1985 van Gerrit Komrij (die zijn tijd leek te vullen met het doen van goed citeerbare uitspraken); ‘Iedere goede vertaler die de auteur zoveel mogelijk recht probeert te doen heeft recht op stommiteiten. In elke vertaler hoort een mooie stommiteit te zitten. Dat is hetzelfde als (…) in ieder Perzisch tapijt één steek laten vallen, omdat alleen Allah volmaakt is.’

De belangrijkste verschillen tussen de vertalingen zijn vet gemarkeerd.

Het origineel

The Traveller
“Stranger, where goest thou, in the sad raiment of a pilgrim, with shattered sandals retaining the dust and mire of so many devious ways? With thy brows that alien suns have darkened, and thy hair made white from the cold rime of alien moons? Wanderest thou in search of the cities greater than Rome, with walls of opal and crystal, and fanes more white than the summer clouds, or the foam of hyperboreal seas? Or farest thou to the lands unpeopled and unexplored, to the sunless deserts lit by the baleful and calamitous beacons of volcanoes? Or seekest thou an extremer shore, where the red and monstrous lilies are like a royal pageant, pausing with innumerable flambeaux held aloft on the verge of the waveless waters?”
“Nay, it is none of these that I seek, but forevermore I seek the city and the land of my former home: In the quest thereof I have wandered from the first, immemorable years of my youth till now, and have mingled the dust of many realms, of many highways, in my garments’ hem. I have seen the cities greater than Rome, and the fanes more white than the clouds of summer; the lands unpeopled and unexplored, and the land that is thronged by the red and monstrous lilies. Even the far, aerial walls of the cities of mirage, and the saffron meadows of sunset I have seen, but nevermore the city and land of my former home.”
“Where lieth the land of thine home? And by what name shall we know it, and distinguish the rumour thereof, among the rumours of many lands?”

Versie 1

“Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zoveel omslachtige wegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van vreemde manen? Dwaalt gij op zoek naar de steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische zeeën? Of vaart gij naar de ontvolkte en onverkende landen, naar de zonloze woestijnen verlicht door de onheilspellende en rampzalige bakens van vulkanen? Of zoekt gij een verder gelegen kust, waar de rode en monsterlijke lelies zijn als een koninklijke optocht die stil houdt, met ontelbare flambouwen hoog gehouden, aan de rand van de roerloze wateren? “

“Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek immer de stad en het land van mijn vroegere thuis: In de zoektocht daarnaar ben ik afgedwaald van de eerste, vergetenswaardige jaren van mijn jeugd tot nu toe, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom mijn kleren vermengd. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de ontvolkte en onverkende landen, en het land, dat wordt overwoekerd door de rode en monsterlijke lelies. Zelfs de verre, luchtige muren van fata morgana’s, en de saffraankleurige weides van de zonsondergang, maar nimmer meer de stad en het land van mijn vroegere thuis.”

“Waar ligt het land van jouw thuis? En onder welke naam zal het bij ons bekend zijn, en onderscheidt het verhaal van dat land zich van de verhalen van vele landen?”

Versie 2

De reiziger
“Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zoveel omslachtige wegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van verre manen? Dwaalt gij op zoek naar steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische* zeeën? Of vaart gij naar onbewoonde en onverkende landen, naar zonloze woestijnen verlicht door de boze en rampspoedige monden van vulkanen? Of zoekt gij een verre kust, waar de rode en gruwelijke lelies staan als een koninklijke stoet die talmt aan de rand van roerloze wateren, met ontelbare flambouwen hoog geheven?”
“Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek nog altijd de stad en het land waarvandaan ik kwam: in de zoektocht daarnaar heb ik gezworven van de eerste, onheuglijke jaren van mijn jeugd tot aan nu, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom mijn kleding vermengd. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de onbewoonde en onverkende landen, en het land dat wordt overwoekerd door de rode en gruwelijke lelies. Zelfs de hoge, luchtige muren van fata morgana’s, en het gloren van de avondschemer heb ik gezien, maar nimmer meer zag ik de stad en het land waarvandaan ik kwam.”
“Waar ligt het land waarvandaan je kwam? En hoe zullen we het noemen, en de geruchten erover herkennen tussen de geruchten over andere landen?”

Versie 3

De reiziger
“Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zo vele omwegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van verre manen? Dwaalt gij op zoek naar steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische* zeeën? Of vaart gij naar onbewoonde en onverkende landen, naar zonloze woestijnen verlicht door de boze en rampspoedige monden van vulkanen? Of zoekt gij een verre kust, waar rode en gruwelijke lelies staan als een koninklijke stoet die talmt aan de rand van roerloze wateren, met ontelbare flambouwen hoog geheven?”
“Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek nog altijd de stad en het land waarvandaan ik kwam: in de zoektocht daarnaar heb ik gezworven van de eerste, onheuglijke jaren van mijn jeugd tot nu toe, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom mijn kleding vermengd. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de onbewoonde en onverkende landen, en het land dat wordt overwoekerd door de rode en gruwelijke lelies. Zelfs de hoge, luchtige muren van fata morgana’s, en het goud van de avondzon over de velden heb ik gezien, maar nimmer meer zag ik de stad en het land waarvandaan ik kwam.”
“Waar ligt het land waarvandaan je kwam? En hoe zullen we het noemen, en de geruchten erover herkennen tussen de geruchten over andere landen?”

Versie 4

De reiziger
‘Vreemdeling, waar gaat gij heen, in het trieste kleed van een pelgrim, met versleten sandalen die het stof en slijk dragen van zo vele omwegen? Met uw voorhoofd dat door vreemde zonnen gebruind is, en uw haar gebleekt door de koude rijp van verre manen? Dwaalt gij op zoek naar steden groter dan Rome, met muren van opaal en kristal, en tempels witter dan de zomerse wolken, of het schuim van hyperboreische* zeeën? Of vaart gij naar onbewoonde en onverkende landen, naar zonloze woestijnen verlicht door de boze en rampspoedige monden van vulkanen? Of zoekt gij een verre kust, waar rode en gruwelijke lelies staan als een koninklijke stoet die talmt aan de rand van roerloze wateren, met ontelbare flambouwen hoog geheven?’
‘Neen, ik zoek niets van dat alles, ik zoek nog altijd de stad en het land waarvandaan ik kwam: in de zoektocht daarnaar heb ik gezworven van de eerste, onheuglijke jaren van mijn jeugd tot nu toe, en heeft het stof van vele oorden, van vele wegen, zich in de zoom van mijn kleding vergaard. Ik heb de steden groter dan Rome gezien, en de tempels witter dan de zomerse wolken; de onbewoonde en onverkende landen, en het land dat wordt overwoekerd door de rode en gruwelijke lelies. Zelfs de hoge, luchtige muren van fata morgana’s, en het saffraan* van velden in de avondzon heb ik gezien, maar nimmer meer zag ik de stad en het land waarvandaan ik kwam.’
‘Waar ligt het land waarvandaan je kwam? En hoe zullen we het noemen, en de geruchten erover herkennen tussen de geruchten over andere landen?’

Aantekeningen bij De reiziger
Dit prozagedicht werd door Smith opgedragen aan Violet Nelson Heyer (1905- 1996) vriend en buur van Smith en zijn ouders.
hyperboreïsch
Deze term wordt in deze tekst gebruikt in de betekenis van ‘heel koud’ of ‘zeer noordelijk’. Dit in tegenstelling tot in later werk van Smith, zoals De muse van Hyperborea, waarin de term verwijst naar een mythisch continent, geïnspireerd op theorieën uit de theosofie.
Babel
Wellicht ten overvloede vermeld ik dat Babel of Babylon een stad is uit de oudheid die lag in het tegenwoordige Irak. De ‘barbaarse tongen’ verwijzen naar het bijbelverhaal Genesis (11:1-9) waarin een toren wordt gebouwd die tot in de hemel zou reiken. God veroorzaakt daarop een spraakverwarring, zodat de mensen elkaar niet meer konden verstaan en de toren niet kon worden voltooid.
het saffraan van velden in de avondzon (saffron meadows of sunset)
Saffron betekent in het Engels krokus, en als kleuraanduiding wordt er een diepgele, goudgele of saffraangele tint mee bedoeld. De tint ligt tussen zuiver geel en oranje en verschilt in de praktijk nauwelijks van amber. Al bij oude Perzische dichters wordt de kleur van de zon bij opkomst of ondergang geassocieerd met saffraankleurig.

Interpretatie

Deze laatste formulering (‘het saffraan’) is typisch voor Smith. Voor de oppervlakkige lezer wordt direct een beeld opgeroepen van de kleuren van de avondzon over verre velden. Maar Smith vergelijkt niet rechtstreeks de keur van de avondzon met saffraan; het is een omkering, terug naar de oorspronkelijke betekenis. De velden zelf zijn saffraankleurig. Bij herlezing roept dat de vraag op of het werkelijk saffraanvelden (krokusvelden) zijn, of dat ze door de avondzon alleen zo kleuren. Even lijkt het een gemeenplaats uit de romantische school, maar toch kietelt Smith de lezer hier een beetje; en zo versterkt hij de inhoud. Wat zijn dat soort velden, en waar liggen ze? De lezer zoekt op dezelfde manier betekenis als de reiziger zijn thuisland. En de omkering die in deze formulering in het klein plaatsvindt, geldt wellicht voor de hele tekst. In de hoogtijdagen van de romantiek was die gegaan over de zoektocht zelf, de ontwikkeling van de mens geschreven aan de hand de allegorie van de reiziger. Smith plaatst die reiziger bewust aan het eind van zijn dagen: altijd op reis geweest, maar zijn thuisland nooit gevonden. Hoewel het naadloos aansluit op de romantische thematiek voegt Smith er ook een ironisch laag aan toe. Al het zoeken en reizen heeft eigenlijk nergens toe geleid. De lezer blijft achter met een weemoedige glimlach om de lippen; ach, zie wat er er te langen leste over blijft van de romantische idealen. Een handvol dromen, geruchten en herinneringen.

Hoe de heimwee geboren werd

Het titelvignet uit de bundel

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Mijn liefde voor het werk van Clark Ashton Smith begon eind jaren ’80. Ik las in mijn tienerjaren graag fantasy. Hoe ik het genre ontdekte en terug ging lezen in de tijd heb ik eens beschreven in het essay Over de voorde naar de bron. Van Smith was maar een beetje werk in het Nederlands uitgegeven. Twee bundeltjes door Bruna in hun ‘Fantasy en Horror’ reeks en een bundel door MeulenhofSF Zothique en andere verloren werelden. Een paar losse verhalen waren opgenomen in anthologieën. Zijn werk viel me op: de verhalen waren origineel, de werelden betoverend en alleen al het taalgebruik was van een variëteit die ik van andere auteurs niet kende. Ik las ook wel in het Engels, maar waar me dat bij schrijvers als Tolkien en Dunsany relatief weinig moeite kostte, toonde het proza van Smith zich weerbarstiger. De zinsopbouw en de woordkeus zelf leek soms afkomstig uit verre werelden. Maar ook al begreep ik niet alles meteen: ik was wel bevangen door de schoonheid van zijn taal. En de verhalen gaven voortdurend de suggestie dat er meer te ontdekken viel. Iedereen zin leidde naar een nieuw vergezicht op verloren werelden. Gelijktijdig waren zijn thema’s en personages universeel; het ging veelal om angst en liefde. In ieder tijdgewricht zullen er schrijvers en lezers zijn die, verlangend en een beetje angstig, op hun rug in het gras naar de sterren staren en fantaseren over tijden van weleer en de eonen die nog komen gaan. Smith stoorde zich niet aan de conventies van zijn tijd en schreef met een subtiel gevoel voor humor over dood, lust en liefde zoals weinig tijdgenoten dat konden of durfden. Daarin was hij zijn tijd ver vooruit. En daardoor voelt zijn werk, ondanks het archaïsche taalgebruik, soms opmerkelijk eigentijds.

Door de jaren heen keerde ik vaak terug naar het werk van Smith, en dan met name zijn prozagedichten. Daarin vond ik alle thema’s en alle taalkundige schakeringen samengebald in een bescheiden corpus aan teksten. Voor mij vormen die teksten de kern van zijn werk. Het heeft de poëtische schoonheid van zijn gedichten, en de rijkheid aan ideeën van zijn proza.

Nadat ik eind 2019 het schrijven van Oom Ludo had afgerond en terwijl ik voorbereidingen trof om dat werk uit te geven, zocht ik een schrijfproject voor tussendoor. Een werk om het pallet te reinigen, zoals je een stukje brood eet en een slok water drinkt tussen het proeven van twee verschillende soorten wijn. Het mocht een vingeroefening zijn. Ik had een kort verhaal kunnen schrijven. Of een paar gedichten. In plaats daarvan pakte ik een klus op waar ik al vaker kort aan gewerkt had; het vertalen van de prozagedichten van Clark Ashton Smith. Om alle facetten van die teksten te doorgronden was ik begonnen ze voor mezelf te vertalen.

Deze keer werd ik nog meer gegrepen door de teksten dan alle vorige keren. Het gevoel bekroop me dat ik deze teksten graag aan de vergetelheid wilde ontrukken en dat ik mijn plezier met anderen wilde delen. Misschien beschouw ik dat wel als een morele plicht van een schrijver: om af en toe een werk uit de kast te halen, af te stoffen en voor het voetlicht te plaatsen. Zo laat je als schrijver aan de wereld zien: zie wie ons is voorgegaan. Dit inspireerde mij. Dit moet gelezen worden.

Eerlijk gezegd: het was ook een beetje mijn coronaproject. De lock-downs hadden hun weerslag. Graag had ik in 2020 meer tijd en aandacht besteed aan de promotie van Oom Ludo. Maar de publieke boekpresentatie en ludieke promotie, die zaten er even niet in.

En gaandeweg werd het voor mijzelf op vele vlakken ook een meesterproef: in bekwaamheid, in doorzettingsvermogen en in besluitvaardigheid. Bij prozagedichten gaat het niet alleen om de betekenis, maar ook om het ritme en de klank, om alle symboliek, de verwijzingen en de stijl. Ik wilde recht doen aan de romantische weelde van het proza, maar de tekst ook bezorgen aan de lezer van nu. Bij iedere keer dat ik een vertaalde zin herlas bekroop mij de twijfel: was dit werkelijk hoe die zin er heden ten dage in het Nederlands moest staan? Meerdere keren nadat ik alle teksten had geredigeerd kwam ik tot de conclusie dat met de opgedane ervaring eigenlijk nòg een redactieronde nodig was. In een volgend blog zal ik een aantal versies van een vertaling eens naast elkaar zetten.

En terwijl ik aan de vertaling werkte groeide het besef dat er eigenlijk meer nodig was dan alleen vertalen. Het schrijven van een goede inleiding. Een verklarende woordenlijst. Een beknopte bibliografie. Gelukkig kreeg ik hulp en bijval. Met eindeloos geduld las Nico Assinck alle vertalingen met mij mee en gezamenlijk herkauwden we alle woorden. William Dorman, de stiefzoon van Smith en beheerder van de literaire nalatenschap, gaf toestemming om het werk in vertaling uit te geven. Tais Teng, schrijver, illustrator èn ook een liefhebben van het werk van Smith, toonde zich bereid om illustraties voor de uitgave te leveren.

Wat begon als een pennenproef, groeide al doende uit tot een fascinerende, intensieve en tijdrovende klus. Twee coronajaren gingen voorbij. We beleefden menig lockdown. Ik wisselde van baan. En ondertussen werkte ik gestaag door. Ik zette uiteindelijk alle twijfel en neiging tot herkauwen van de tekst opzij en leverde een complete vertaling op.

Het heeft even geduurd, maar nu is de publicatie van dit eindresultaat in zicht. Dit najaar verschijnen de prozagedichten in een gebonden en geïllustreerde uitgave. Een prachtbundel, waarvan de vorm is geïnspireerd op de boeken van uitgeverij Arkham House, de eerste uitgever van het werk van Smith.

Het werk is in de eerste plaats geboren uit mijn liefde voor het werk van Clark Ashton Smith, en ik hoop dat met deze vertaling meer mensen in Nederland zijn werk, en de heimwee naar het onbekende, zullen (her)ontdekken.

Dit is de eerste uit een reeks blogs over Clark Ashton Smith en de uitgave Heimwee naar het onbekende. In volgende blogs zal ik onder andere ingaan op de inhoud van de teksten, het vertaalproces en leven en werk van Smith.

Te mooi om in de la te laten liggen

Ik heb meer ideeën dan ik tijd heb om ze uit te werken en op papier te zetten. En als ik daar al toe kom, moet het ook nog worden uitgegeven. Op mijn computer heb ik mappen vol met schrijfwerk dat ooit nog de wereld in gezonden moet worden. Tot nu toe komt het er niet van om dat te doen. Soms omdat ik twijfel of het goed genoeg is. Soms omdat ik nog één verhaal erbij wil schrijven om een bundel ‘compleet’ te maken. Soms gebrek aan tijd. Er is altijd wel wat. Nu heb ik bedacht dat ik voor mijn vijftigste verjaardag (nog ruim een jaar weg) al dat materiaal ter hand ga nemen en het zal publiceren of archiveren.

Voor wie wil weten wat er in het ‘geheime verhalenvat’ zit, waarin het hopelijk niet verzuurd, hieronder een overzicht op min of meer chronologische volgorde.

  1. Zwijgen is zilver – Toen ik het schreef noemde ik het een ‘jeugdnovelle’. Inmiddels noem je dat al jaren jong adult.
  2. Het onbezoldigd universum – een bundel grappige korte verhalen, illustraties en gedichten. Onder andere de korte Tante Magna verhalen. (zie 4)
  3. De mythe van een jeugd – een dichtbundel. Soms vrij zware kost met een hoog weltschmerz gehalte, maar over menig gedicht ben ik nog steeds heel tevreden. Ik heb een paar keer een poging gewaagd om gedichten uit deze set te herschrijven, of het beste materiaal eruit te halen, maar eigenlijk vormt de bundel één geheel. En mijn afstand tot het werk (ik schreef het eerste helft jaren ’90) is inmiddels zo groot dat ik het integraal moet uitgeven of archiveren. Iets anders leidt tot een gemankeerd eindresultaat.
  4. De nieuwe avonturen van Tante Magna – Eigenlijk schreef ik er tot nu toe maar één: het beklemmende en poëtische ‘Het oude halssnoer’. Het verscheen in Ganymedes 14. Er ligt een half volgend verhaal. Het is de schrijnende, volwassen versie van de kolderieke verhalen uit Het onbezoldigd universum (2). Eigenlijk zou ik dat tweede verhaal eens af moeten schrijven, en ze samen in één bundeltje willen uitgeven. Al dan niet vergezeld door de mini verhaaltjes uit Het onbezoldigd universum.
  5. Het zwarte grootboek – dit was ooit een bundel klassieke griezelverhalen. Ik schreef ze in de jaren 80 maar toen ik ze in jaren 90 herlas vond ik ze allemaal niet goed genoeg. Ik nam me voor om het kernidee van ieder verhaal te nemen en daar een nieuw verhaal voor te schrijven. Ik ben een heel eind: er zijn drie verhalen herschreven (gemiddeld toch één per tien jaar).
    1. Het verhaal ‘De poort naar wijsheid’ werd omgeschreven naar ‘De laatste kamer’ – dit was het verhaal dat de minste revisie behoefde en de nieuwe versie verscheen in een editie van Pure Fantasy. Op basis van die publicatie werd ik destijds spontaan gebombardeerd tot ‘de Lovecraft van de lage landen’.
    2. Het zwarte grootboek – een compleet herschreven versie werd opgenomen in Ganymedes 15.
    3. Het verhaal ‘Cicil Blake’ vormde de inspiratie voor het compleet nieuwe verhaal ‘Het horloge van Alvarez’. Het is eerder mystiek dan griezelig geworden en speelt op een van de sterkampen in Ommen. Ongepubliceerd.
    4. Dan resteren nog een gedicht ‘De verdwaalde reiziger’ en een prozagedicht ‘De tempel van de kruipende chaos’. In de oorspronkelijke bundel zat daarnaast ook nog een vertaling van Het Nachtmerriemeer van Lovecraft. Die heb ik in de tussentijd op deze website online gepubliceerd.
  6. Onwaarschijnlijke helden – een verzameling fantasy verhalen met een Hollandse snit. Deze bundel was nagenoeg af en heb ik als eerste al uit de mottenballen gehaald. Eind juni is het als e-book verkrijgbaar bij alle grote retailers. De pre sale staat inmiddels open bij publicatieplatform Smashwords. Een geprinte editie heb ik niet in de planning.
  7. Vier dystopische/beklemmende verhalen – hier is er slechts één van gepubliceerd: de novelle Kiki. De verhalen Camiel, De immolenten en Snuit behoeven nog wat eindredactie. Daarna zou het samen een aardige bundel vormen. Maar wellicht zijn ze ook heel geschikt om éérst los te publiceren in bijvoorbeeld het tijdschrift ‘Fantastische Vertellingen’. (Remco Meisner zal me dankbaar zijn)
  8. Het uur van Leviathan – een wat uit de hand gelopen symbolisch verhaal (ca 50 romanpagina’s) over zinkgaten, de ondergang van de wereld en vooral: de liefde. Er is iets met dat verhaal waardoor ik er erg verknocht aan ben. Steeds heb ik het gevoel dat ik het heel zorgvuldig de wereld in wil zenden. Misschien is het wel geschikt, net als Kiki, om er een zelfstandig los boekje van te maken.
  9. Meer poëzie – ik heb wat afgedicht. Maar er valt geen lijn in te ontdekken en geen bundel uit samen te stellen. Wat moet ik toch met al dat spul? Vele tientallen gedichten van verschillende vorm en lengte, met uiteenlopende thematiek. Misschien is voor de meeste gedichten het ronde komo-archief nog de beste bestemming. Het enige stuk dat ik er wellicht bij voorbaat uit wil redden is ‘Hoor toch hoe de draaitabellen zingen’ – een lang en episch stuk kantoortuinpoëzie.
  10. En verder…. er blijven nog wat curiosa over. Een hommage aan Martin Toonder. En wat materiaal waar nog flink aan gewerkt zou moeten worden: de avonturen van Maximiliaan Lex. En wat schetsen en kladjes: een half verhaal dat speelt in de wereld van het rollenspel Queeste. Dat is amper het ideeën stadium ontstegen. Enfin: ook hier wil ik met de bezem erdoorheen.

Ik weet vrij zeker dat lang niet al dit materiaal de lezer zal bereiken. En dat is prima. Sommig materiaal is toch nog niet rijp. Ander materiaal is gewoon niet goed genoeg. Maar enkele verhalen en gedichten zijn toch te mooi om in de la te laten liggen. Publicatie zal maar voor een enkel werk met enige bombarie en een boekpresentatie gepaard gaan. Veelal wordt het komend jaar terloops: zodat het in ieder geval voor de nieuwsgierige lezer vindbaar is.

En ja, dan is er natuurlijk ook nog het nieuwe werk. Aan dat vat met verhalen worden ook steeds weer nieuwe zaken toegevoegd.

De afgelopen paar jaar werkte ik aan Heimwee naar het onbekende, een vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith. Later dit jaar verschijnt een gebonden editie en de voorinschrijving annex crowdfunding daarvoor staat inmiddels open.

Over dit werk publiceer ik de komende weken een paar blogs.

En ondertussen schrijf en redigeer ik ook nog een literaire triller, onder de werktitel Gamergirl, maar die verschijnt waarschijnlijk pas begin 2023.

Oh ja, en ik had nog het plan om een biografische schets over Catharine Duval te schrijven. En een toneelstuk over… en… en… en…

Een avontuur als monument voor emancipatie

Leesdagboek: Confessions of the fox – Jordy Rosenberg

bol.com | Confessions of the Fox, Jordy Rosenberg | 9781786496256 | Boeken

Ik las Confessions of the Fox van Jordy Rosenberg. Ik kwam het boek op het spoor door een lijstje met aanbevolen boeken met transgender personages. Ik koop wel vaker boeken met een lhbtiq+ thema, en vaak zijn dat vrij bescheiden uitgaves van onbekende uitgeverijen. Zeker als het een ander deel van de lettersoep betreft dan ‘G/H’, als het net iets anders is dan een gevoelig (blank en West-Europees) coming of age verhaal. De pocket die ik kocht had op de omslag de aanprijzing ‘a New Yorker book of the year’. En op de eerste pagina’s een reeks ronkende woorden en lovende citaten uit recensies.

Ik heb het boek inmiddels uit en kan alleen maar zeggen dat alle lof en enthousiaste recensies waar zijn. Ik heb het boek in één ruk uitgelezen (dat wil in mijn geval zeggen; langzaam, bedachtzaam en in spaarzame uurtjes).

Confessions of the fox vertelt het verhaal van Jack Sheppard, een 18de eeuwse volksheld. Zijn verhaal is in de loop der jaren vele malen verteld. De versie die mensen wellicht het beste kennen is die van Mack ‘The Knife’ / Mackie Messer in Bertolt Bregts Driestuiversopera. Jordy Rosenberg vertelt het verhaal aan de hand van een ‘oorspronkelijk’ manuscript dat in de archieven wordt teruggevonden en van noten en commentaar wordt voorzien door ene dr R. Voth. Het verhaal van Jack, en zijn vriendin Bess, leest als een avonturenroman. Maar dan wel een moderne literaire versie, waarbij Londen geportretteerd wordt door de afkomst en klassen en seksualiteit van de personages. En de noten en aantekeningen groeien in de loop van het verhaal en vormen een vertelling op zichzelf.

Uiteindelijk wordt het boek veel meer dan een avonturenroman; het is het verhaal over mensen die leven in de marge en die de strijd moeten aangaan met de bezittende klasse, die het geld en het geweld gemonopoliseerd heeft, en die de geschiedenis naar eigen voorkeur kan schrijven of herschrijven.

Jack Sheppard en de personages om hem heen geven gezicht aan mensen die normaliter vergeten worden. De armen, het uitschot, de kruimeldieven, de hoeren, met een divers palet aan achtergrond, kleur en geslacht. Naast een buitengewoon vermakelijke en spannende avonturenroman is Confessions of the fox daarmee ook een monument voor emancipatie dat in zijn betekenis naadloos aansluit op in onze eigen tijd toegenomen zichtbaarheid van lhbtiq+ en de black lives matter beweging. Lees dit boek.

Soms lees je een boek dat je liever niet gelezen had.

Leesdagboek: In het hart van het oerwoud – Albert Sánchez Piñol

bol.com | In Het Hart Van Het Oerwoud, Albert Sanchez Pinol | 9789059360358  | Boeken

Ik had vorig jaar zin om weer eens een echt goed en lekker boek te lezen. Goed geschreven, mooie personages, literair en liefst ook nog spannend. Ik had nog veel boeken liggen, maar niets sprak me op dat moment aan. Ik speurde mijn kast af en mijn oog viel op Nachtlicht van Albert Sánchez Piñol. Ik had dat met veel plezier gelezen. Het was gevoelig en betoverend geschreven. Een modern griezelsprookje op een arctisch eiland over eenzaamheid en de strijd van de mens tegen het onkenbare. Ik vroeg me af: zou er van hem niet meer verschenen zijn?

En jawel, ik spoorde een exemplaar op van zijn tweede roman: In het hart van het oerwoud. Een dikke pil, en volgens de achterflap een literair meesterwerk in de vorm van een avonturenroman. Avonturenromans, daar ben ik dol op. Ik stapte als kind over op het lezen van volwassen boeken toen ik ontdekte dat Alexandre Dumas twee vervolgboeken had geschreven op De drie musketiers. Maar van die vervolgboeken bestond geen ‘vereenvoudigde’ kindereditie. Toen moest ik wel. Ik las alle drie de kloeke delen achter elkaar uit. En daarna de rest van het werk van Dumas. En daarna van Louis Stevenson en Walter Scott. En Jules Verne. En tal van andere klassieke vertellingen.

Soms vind ik dat gevoel van avontuur nog wel eens terug in een modern boek. Maar helaas niet zo vaak. Als het spannend en opwindend is, is het verder vaak niet zo interessant. En is het literair, dan is het verder vaak gespeend van spanning en opwinding. Ik trof maar af en toe een boek dat mijn nostalgische dorst naar avontuur wist te combineren met mijn volwassen smaak voor het literaire. De naam van de roos van Eco. De roman Long John Silver van Jörn Larsson.

Ik had goede hoop voor In het hart van het oerwoud van Albert Sánchez Piñol. Want schrijven kan die man. Vloeiende zinnen, prachtige sfeer, interessante personages. Het verhaal boeide: het voerde me allereerst naar het Londen van het begin van de twintigste eeuw en hintte naar reizen naar Kongo, op zoek naar rijkdommen. Daar verwachtte ik een plek waar de mens geconfronteerd zou worden met diepe mysteries maar uiteindelijk vooral zichzelf. Nachtlicht, had veel elementen geleend uit de griezelroman en herinnerde aan H.P.Lovecraft, maar met een meer literaire en menselijke afdronk. In mijn beleving moet je met een titel als In het hart van het oerwoud, schatplichtig zijn aan Conrads Heart of Darkness.

In Londen werd een verslag geschreven over een expeditie naar Kongo en langzaam ontspoorde daar het verhaal voor mij. Lekker vreemde zaken: mysterieuze wezens die uit de aarde naar boven kwamen. Het was allemaal wel intrigerend en spannend, maar een betekenisvolle laag kon ik er nog niet in ontdekken. De historische context was dun. Hoe de blanke avonturiers met de zwarte bevolking omgingen was bruut en moordlustig, wat Penõl op een plompverloren manier vertelde alsof er op dat gebied de afgelopen 80 jaar niets veranderd was in de wereld. Kuifje in Afrika – maar dan nog wat erger. Misschien was het satirisch of ironisch bedoeld. Maar dan miste ik ook historisch besef; verwijzingen naar hoe België in Kongo huisgehouden had. Ik moest er maar op vertrouwen dat de schrijver in de rest van het boek alsnog rekenschap zou geven van de koloniale thema’s die hij aanraakte. Het was hard werken om het boek niet weg te leggen.

Een schrijver krijgt aan het begin van het boek veel krediet van een lezer. In het Engels heb je daar de term ‘the suspension of disbelief’ voor. Maar Piñol had halverwege zijn eindeloze verslag van bloedige en ondergrondse avonturen in Kongo mijn krediet al geheel opgesoupeerd. Waarom ik doorlas weet ik niet precies – ik denk om te zien of hij alle losse eindjes op de een of andere manier nog aan elkaar zou weten te knopen.

Helaas. Hij doet wel een poging. Het komt er uiteindelijk op neer: het was allemaal verzonnen. En tussen de regels door beschuldigt Penõl de lezer van goedgelovigheid. Maar reflectie op de thema’s die hij aanraakt – nee hoor. Enige beschouwing over de beschaafde mens in de wildernis? Iets over orde versus chaos? Een verwijzing naar Conrad? Een snufje Nietzsche? Nee, veel meer dan ‘schrijvers zijn allemaal leugenaars en fantasten’ heeft Piñol niet te melden. Oh gottegottegot. Wat een ongelooflijk slap einde.

Het is, zoals de achterflap belooft, een roman over fantasie en vertrouwen. Maar in de fantasie verliest de schrijver zich veel te lang in een simplistisch koloniaal wereldbeeld. Hij bedt het verhaal niet in in de belevingswereld van zijn moderne lezer. Hij onderschat die lezer en beschaamt diens vertrouwen. Hij lijkt daarbij te vergeten dat met zijn fantasie en het vertrouwen van de lezer hij een boek had kunnen schrijven dat raakt aan het hart van onze tijd, maar hij blijft steken bij vaagjes navelstaren over zijn eigen rol als schrijver. Een mislukt boek.

Het vergalde mijn leesplezier dusdanig dat ik meer dan een jaar geen enkele andere roman las.

Toen ik dat wel weer deed, was het gelukkig wel ‘raak’. Ik las ‘Confessions of the fox’ van Jordy Rosenberg, maar daarover een dezer dagen meer.

Leuke vragen en reacties die een schrijver zoal krijgt

‘Hoe gaat het met Oom Ludo?’ vragen mensen me wel eens. ‘Goed,’ zeg ik daarop. Boek en personage zijn in mijn hoofd bij die vraag samengevallen. Goed, want ik krijg leuke, positieve reacties van lezers. En af en toe een bestelling – vorige week mocht ik een mooie doos vol boeken naar de Nederlandse Bibliotheek Dienst versturen, zodat Oom Ludo in het nieuwe jaar bij vele bibliotheken te leen zal zijn. Ik werd door een paar media geïnterviewd, zoals bijvoorbeeld hieronder:

Interview over Oom Ludo bij de Virtuele Herberg in Antiquariaat Eugene Jeurissen te Beek

Een aantal leuke vragen kreeg ik van lezers mondeling of per mail. Dat soort vragen vind ik heel erg leuk, want even wordt zichtbaar wat normaliter voor een schrijver verborgen blijft: met welke verwachting of hoe aandachtig het boek gelezen is. Hieronder een paar voorbeelden van de vragen en reacties die ik kreeg:

Oom Ludo kennen we van de teksten bij foto’s op instagram. Daar is altijd een mooie spanning tussen tekst en foto’s. Is dat spanningsveld ook in het boek terug te vinden?

Dat denk ik wel, al is het anders. Je kijkt in de tekst rechtstreeks door de ogen van Oom Ludo naar de wereld. Maar als lezer interpreteer je anders. Je zult vaak verbaasd zijn over hoe Oom Ludo iets omschrijft of ervaart, en denken ‘ik zou daar anders op reageren’ of ‘ik zou iets anders zeggen’. Daarmee is denk ik een vergelijkbaar spanningsveld aanwezig. Vergelijk het maar met het moment dat je als bijrijder in een auto naast een chauffeur zit met een heel eigen ‘vrije’ rijstijl. Dat levert ook een spanningsveld op.

Jij bent niet Oom Ludo, maar hoeveel van jouzelf zit er in het personage Oom Ludo?

Niet zo veel. Ik heb een schrijver wel eens horen zeggen dat all zijn personages afspiegelingen van hemzelf waren. (Ik ben even kwijt wie dat zei – tips zijn welkom.) Soms herken ik dat. Van Aloïs Hartman (uit o.a. De dundenker) heb ik wel gezegd ‘als ik de politiek was ingegaan was ik een soort Aloïs Hartman geworden’. Maar er zijn ook personages die verder van mij af staan; die ik modeleer naar gedragingen en karaktertrekken die ik bij anderen heb gezien. Voor Oom Ludo, met zijn idiosyncratische en licht autistische trekjes, heb ik inspiratie opgedaan bij meerdere mensen uit mijn omgeving. Van mijzelf zit er niet zo heel veel in, al kan ik mij ook koesteren in een rustige plek achter een raam, met uitzicht op de buitenwereld. Maar ik heb veel andere kanten die Oom Ludo niet heeft.

De formulering en woordkeus in (of van) Oom Ludo zijn soms complex. Dat is aan het begin van het boek even wennen. Is dat kenmerkend voor jouw schrijfstijl?

Ik heb het geschreven, dus daarmee is het in ieder geval onderdeel van mijn register. Ik denk niet dat je kunt zeggen dat het ‘mijn stijl’ is, als in ‘kenmerkend voor alles wat ik schrijf’. Het is wel kenmerkend voor het personage ‘Oom Ludo’ (en dus voor het in de ik-persoon geschreven boek). Hij denkt in ritmische formuleringen waarin bijwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijzinnen en allerhande twijfeltaal voor de voor hem noodzakelijke nuances zorgen. De zwaarte van die formulering neemt ook wat af in de loop van het boek, passend bij de ontwikkeling die Oom Ludo doormaakt. Hoe meer hij zich in de vaart van de buitenwereld begeeft, hoe meer vaart de zinnen krijgen. Wie ook ander werk van me leest zal zien dat ik mijn schrijfstijl vaak aanpas aan wat het verhaal vraagt. En bij toneelstukken, aan welk personage aan het woord is. En dat leidt dan regelmatig tot veel kaler en directer taalgebruik. Daar houd ik namelijk ook erg van.

Wat is dan toch een petrifagant?

De petrifagant is een fantasiewezen. Dat blijkt denk ik ook wel uit de context van het betreffende hoofdstuk – waar de petrifagant even in genoemd wordt. Maar de nieuwsgierige of cryptozoölogisch ingestelde lezer wil natuurlijk altijd iets meer weten… Het is een oud wezen, van voor de tijd dat er mensen waren, of magie. Ze voeden zich door het eten van gesteente en zo zijn ze verantwoordelijk voor talloze onderaardse gangenstelsels. Ik bedacht de petrifagant niet zelf; ik ontleende hem aan het fantasy rollenspel Queeste; de credits zijn voor bedenker Joop Oele.

De steller van de vraag, Ken Korsmit, stuurde me per kerende post (en na een stormachtige nacht) de volgende ode aan de petrifagant.

Zijn uw rhodo’s geplet of schuttingen omver gestoten?
Ziet u overal afdrukken van mammoetachtige poten?
Mist u een hap uit de muur of hardstenen rand?
Wellicht heeft u dan last van een petrifagant.

Je zendt een boek de wereld in…

Dit is een verkorte weergave van de online boekpresentatie van Oom Ludo op 1 augustus 2020.

De vorm van deze presentatie – online – werd uit nood geboren, maar heeft als voordeel dat hij veel makkelijker toegankelijk is voor mensen van buiten Nijmegen. En belangstellenden kunnen hem ook later nog terugkijken. Voordelen en nadelen; het is maar hoe je er tegenaan kijkt – en dat is in het geval van dit boek een vrij passend adagium. De rode draad is vandaag uiteraard het boek Oom Ludo. Een boekpresentatie is het moment dat je een boek aan de lezer presenteert, het moment waarop je het de wereld inzendt. En daarom zal ik ook stilstaan bij de wereld waar we in leven.

Oom Ludo moet af en toe een tijdje tot rust komen.

Oom Ludo werd ‘geboren’ op 10 september 2015. Het was in een tekst die ik in een opwelling schreef bij een foto op instagram. Ik schreef: “Oom Ludo moet af en toe een tijdje tot rust komen.” In de verhouding tussen de tekst en de foto, en in het tot rust komen, zit al de kern van het boek. De vrije associatie bij een beeld, die waarschijnlijk anders is dan wat vele anderen zouden denken bij die foto. Het tot rust komen: de afstand tot de wereld. En de figuur: een nu al wat zonderlinge Oom Ludo.

In de jaren die volgden figureerde Oom Ludo vaker bij foto’s – met als doel om de lezer iets zichtbaar te maken dat ertoe zou aanzetten opnieuw, met andere ogen, naar de foto te kijken.

Het werd mij gaandeweg duidelijk dat er meer verhaal in Oom Ludo school. Van enkel een spanningsveld tussen tekst en foto’s was de serie als geheel voor mij uitgegroeid tot een personage-onderzoek. Of zelfs tot het ontwikkelen van een eigen, bijzondere belevingswereld. Het idee voor een boek groeide in mijn hoofd.

Voor Oom Ludo was het hele leven één langgerekte sterfscène.

Bij deze foto was het onderschrift: Voor Oom Ludo was het hele leven één langgerekte sterfscène. Die zin vormde lange tijd de eerste zin van het boek. Bij de derde redactieronde gooide ik de openingsscène om en belandde de zin op een andere plek in dat hoofdstuk. Hij kon kenmerkend zijn voor Oom Ludo op een specifiek moment: het begin van het boek. Maar de zin was uiteindelijk niet helemaal de juiste toon om het boek mee van start te laten gaan. Te zwaar op de hand.

Er is ook een andere kant van Oom Ludo. Er is een creatieve, speelse Oom Ludo, die kansen ziet. Die even aan de teneur van de langgerekte sterfscène ontsnapt en de wereld anders ziet. Ik denk dat Ludo in ons collectief onderbewuste een passende naam is voor een oom. Of in ieder geval een bepaald type oom. Ludo verwijst naar de homo ludens, de spelende mens. De naam benadrukt het wat zorgeloze, onbevangen, experimenterende karakter.

En wat is een oom? Iemand die dichtbij staat, want het is familie. En gelijktijdig iemand die verder weg staat, buiten het eigen gezin, op een gepaste afstand.

Ik denk dus dat ik Oom Ludo niet helemaal zelf heb bedacht. Wie googled op ‘Oom Ludo’ vindt met een beetje moeite zo een stuk of wat boeken waar een oom met die naam in voorkomt. In een woordenboek trof ik als voorbeeldzin aan ‘Onze nonkel Ludo is gisteren begraven’. Toen ik dat ontdekte (het boek was toen vrijwel af) was ik daar eigenlijk heel blij mee – ik denk dat het betekent dat het inderdaad een herkenbaar, archetypisch personage is.

Ik heb het boek overigens ook niet helemaal alleen geschreven of uitgegeven. Ik wil graag Mel Lambers, mijn echtgenoot, en Nico Assinck hartelijk danken voor het proeflezen en hun redactionele commentaar. Dat was onmisbaar. Net als de minutieuze correctie van de tekst door Ineke de Leeuw.

Archetype – het is een term uit de psychologie die ook in de literatuurwetenschap veel gebruikt wordt. En met die term realiseerde ik me dat veel van de oom-ludo-commentaren niet alleen een creatieve, andere blik op de foto’s lieten zien, maar even zo vaak een element dat misschien niet op de voorgrond lag, maar wel al duidelijk in de foto’s aanwezig was.

Als voorbeeld deze foto

Oom Ludo voelde zich nooit zo op z’n gemak bij om het even welke samenscholing.

Die samenscholing is er al. Het ongemak ook, in de vorm van stinkende vuilnisbakken, en eventueel het herfstblad dat een zekere guurheid uitdrukt. De zogenaamde ‘andere’ blik was latent al aanwezig. Het commentaar doet een appèl op een onderstroom, basis emoties, en raakt het domein van dromen en angsten.

Een schrijver werkt heel veel met het onderbewuste. Vaak gebruikte termen daarbij zijn inspiratie of intuïtie. Als het goed is, werkt bij een schrijver het onderbewuste als bij een medium. Je maakt de wereld mee, direct of via alle media die ons ter beschikking staan, en de fictie-teksten die geschreven worden zijn daarna, via ons onderbewuste, altijd een weerslag van de tijdgeest. Het heeft zeggingskracht, juist in het tijdgewricht waar het in ontstaan is. De literatuur is relevant en interessant voor de lezer van nu.

Dat is natuurlijk niet altijd waar. Soms is de schrijver teveel opgesloten in zijn eigen gedachtewereld. Het werk kan prachtig zijn, maar het is erg hermetisch en slechts voor de enkele vasthoudende fijnproever interessant. Je kunt ook de andere kant op doorslaan: in wat je schrijft meteen aansluiten op de krantenkoppen van vandaag of de meest recente actualiteiten. Dat kan ook mooi zijn, maar is eerder journalistiek van aard. Het is vergankelijk als kranten en jaarboeken. Oud papier voor morgen.

Ik zoek de balans. Wat iedere schrijver van literatuur beoogt: zowel actueel als tijdloos zijn. Universele verhalen vertellen, geaard in de tijd waar ik in leef, voor een publiek van nu.

Ik sta stil bij dit proces omdat we nogal wat deining hebben gehad in de actualiteit. Eigenlijk wil ik aan die actualiteit niet al teveel woorden besteden… u en ik leven er elke dag mee. We kunnen het iedere dag op televisie zien en er dagelijks over lezen op social media.

Maar een aantal zaken voelt op dit moment te prangend en alom aanwezig om helemaal niets te zeggen over hoe ik mij verhoudt tot die actualiteit. En geen van die zaken is helemaal nieuw; de actualiteit is de afgelopen jaren langzaam aangezweld, en als het goed is, ook bewust of onbewust in Oom Ludo terecht gekomen.

Corona kan nieuw lijken, maar pandemieën zijn van alle tijden. Afstand, tot de wereld en tot andere mensen, is een belangrijk thema voor Oom Ludo. He thema sluit hier aan, maar de directe link is denk ik nog dun.

Black Lives Matter – Met de dood van George Floyd, en de protesten die sindsdien massaal zijn gevoerd, worden voor mij twee zaken extra zichtbaar. De totalitaire trekken van het Amerikaanse politie apparaat. En wijd verbreid maatschappelijke en systemische discriminatie en racisme. Naar de dood van George Floyd kijken we vooral binnen de context van de Amerikaanse maatschappij, die gedomineerd wordt door een Amerikaanse president die doelbewust de grenzen van de democratie tart en overschrijdt.

Maar in de context van de boekpresentatie vandaag kijk ik liever naar de situatie in Nederland. Hier hebben we een al jaren slepende discussie over zwarte piet. En er is bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt en op de woningmarkt evident discriminatie.

Ik denk de laatste tijd regelmatig terug aan Mitch Henriquez. Hij werd in 2015 in Den Haag, na een muziekfestival, door twee agenten aangehouden en met een nekklem overmeesterd, waarna hij kwam te overlijden. Naar het incident werd onderzoek ingesteld en dit leidde ook deels tot veroordeling. Wat met Mitch Henriquez gebeurde illustreert voor mij dat we in Nederland ook geïnstitutionaliseerd racisme hebben. Gelukkig niet op de schaal zoals in Amerika (daar is alles groter en extremer), maar teveel om het te bagatelliseren. Er was in deze zaak wel vervolging en veroordeling, maar onze rechtspraak, met haar onderbezetting en stukloon, is kwetsbaar. En er is fnuikende systemische discriminatie in het Nederlandse systeem (als het niet bij sommige politiekorpsen is, dan wel bijvoorbeeld bij verkeerscontroles en de belastingdienst) die zich niet eenvoudig laat corrigeren.

Vanuit de blacklivesmatter beweging wordt een appèl gedaan om je uit te spreken, om niet zwijgend toe te kijken. Ik spreek me graag uit. Niet in de vorm van deelname aan demonstraties. Niet vluchtig op twitter. Wel in mijn werk.

Ik doe dat op mijn manier: met milder ironie over de multiculturele samenleving in De dundenker en ook in Oom Ludo, met een terloops maar felle oordeel over Van Heutz. En bij deze, door er aandacht aan te besteden in deze presentatie. Of het genoeg is mag u als lezer of toehoorder beoordelen.

Al deze overwegingen bij de actualiteit en de tijdgeest, roepen bij mij de vraag op: wat voor schrijver wil je zijn? En dat brengt me bij nog één onderwerp uit de actualiteit dat ik wil aanstippen. Afgelopen week deed ik namelijk mijn Harry Potter boeken de deur uit. Ik had geen zin meer om er tegenaan te kijken. Dat kwam omdat ik ze niet kon zien zonder herinnerd te worden aan de kwalijke en vrij fobische opvattingen en uitspraken van auteur J.K.Rowling over transseksualiteit.

Het is logisch dat het me raak – ik ben homo en mijn man is transman. Wie erg dol is op de boeken en minder of geen persoonlijke band met het onderwerp heeft, zal zich wellicht minder aantrekken van de uitspraken van de auteur. Voor mij viel de balans negatief uit. Maar naast dat ik mij persoonlijk betrokken voel bij het onderwerp, gaat dit ook over het schrijverschap. Want; wat voor schrijver wil je zijn?

JKR noemt zichzelf een medestander en een vriend van transseksuelen en iemand die zich goed heeft ingelezen… maar wat ze doet is zich stelselmatig uitspreken tegen transities en tegen het erkennen van de gender identiteit van transseksuelen. Ze is daarmee geen vriend of medestander. Ze is een internationaal zeer bekende auteur, wier woord ver reikt. En ze doet dat in een context waarin transseksuelen internationaal gezien een zeer kwetsbare groep zijn. Hulp en behandeling zijn duur of in het geheel niet voorhanden. Discriminatie en geweld liggen constant op de loer. Er gaat geen week voorbij of er worden transseksuelen om hun gender identiteit vermoord. Het aantal zelfmoorden onder transseksuelen (met name jongeren) is al jaren ongekend hoog. Dat is van belang, want dit is de context waarin JK Rowling haar uitspraken doet. Zij vindt het als wereldbefaamde auteur nodig om de kritische ‘medestander’ uit te hangen. Met dat soort vrienden heb je geen vijanden meer nodig.

Ook als je een fundamenteel andere mening hebt over wat gender is of hoe gender-identiteit werkt, mag je je afvragen: wat voor rol heb je als schrijver in deze wereld? Wat voor onderwerpen kaart je aan, binnen of buiten je werk?

Dat is de vraag die ik mijzelf stel: wat voor rol heb ik als schrijver in deze wereld. Daarbij is JKR in ieder geval niet mijn grote voorbeeld, dat moge duidelijk zijn. Een schrijver die ik bijvoorbeeld wèl bewonder is Ursula LeGuin. Zij laat in haar werk goed schrijverschap en engagement perfect samengaan.

in 2014 ontving zij de Medal for Distinguished Contribution to American Letters. Bij die gelegenheid sprak zij een dankwoord en zei ondermeer:

“. . . I think hard times are coming, when we will be wanting the voices of writers who can see alternatives to how we live now. Who can see through our fear-stricken society and its obsessive technologies to other ways of being, and even imagine some real grounds for hope. We will need writers who can remember freedom—poets, visionaries; the realists of a larger reality. (…) We live in capitalism; its power seems inescapable. So did the divine right of kings. Any human power can be resisted and changed by human beings. Resistance and change often begin in art, and very often in our art: the art of words.”

En zo dringt zich juist in deze periode de vraag aan mij op: wat voor boek wilde ik schrijven? Ik wilde een hoopvol en optimistisch boek schrijven. Het hoeft niet allemaal leuk en vrolijk te zijn, maar ik wil graag in alle polarisatie nuance bieden. Ik wil een andere, nieuwsgierige blik op de wereld bieden. Ik wil bij alle oordelen en meningen wat twijfel zaaien. Want twijfel en nieuwsgierigheid zijn belangrijk: het is de bron van alle wijsheid.

Ik wilde een boek schrijven om te lezen en te herlezen. Om ook na het wegleggen nog even over na te denken. Een troostrijk boek. Een boek dat even zou afleiden van de waan van de dag. Niet omdat het je verdooft of de wereld alleen maar laat vergeten, maar een boek waarna je als herboren die wereld weer tegemoet kan treden.

Ik zal eerlijk bekennen: dat maak ik natuurlijk niet voor iedere lezer waar. Maar voor mij is dit zo’n boek.

Dat gezegd hebbende, wil ik u langzaamaan meenemen van mijn beschouwingen bij onze dagelijkse werkelijkheid naar de werkelijkheid van Oom Ludo. Ik wil een paar dingen met u delen over de totstandkoming van het boek. Over de ontstaansgeschiedenis van het personage Oom Ludo heb ik het al gehad. Maar er is meer. Aan het begin van het boek kijkt Oom Ludo uit zijn raam naar een parkje. Dat parkje speelt bijna de eigenlijke hoofdrol in het boek.

Dat parkje is geïnspireerd op een bestaand park. In Santa Cruz de Tenerife ligt een stadspark van dat formaat, met veel kunstwerken en standbeelden en waterwerken. Met vogels en vlinders en planten uit alle windstreken. Met een spiraalvorming pad dat rechte paden doorkruist.

In het boek wordt dat parkje bedreigd (in het echt gelukkig niet) door de bouw van een flatgebouw.

Zoiets had ik voor ogen

Eerder liet ik mij al het woord ‘wereld’ ontvallen en ‘universum’. Fantasy en SciFi schrijvers kunnen met die termen lezen en schrijven. World-building – het creëren van een eigen, consistente, dramatische wereld is een vereiste bij die genres. Misschien komt het doordat ik ook veel fantasy heb gelezen en geschreven: dat ik in een boek een eigen werkelijkheid creëer, die geloofwaardig en consistent is, die een ‘sense of wonder’ opwekt. Dat is voor mij in ieder boek van belang.

En de wereld die ik schiep overstijgt dit boek. Ik denk niet dat al mijn boeken in precies dezelfde wereld spelen, zo analytisch wil ik er ook niet mee omgaan, maar in ieder geval blijkt dat personages soms uitstekend in meerdere verhalen een rol kunnen spelen.

Voor Oom Ludo had ik een architect nodig, die de gigantische torenflat die op de plek van dat parkje moest komen kon ontwerpen. Ik had nog ergens een architect:

Aegon Talmink in het toneelstuk Emoticon

In 2005 schreef ik het toneelstuk Emoticon (onder de titel Zij is buiten te lezen via de VvL); dat was een moderne hervertelling van het verhaal van Orestes. En in de eerste acte, een vrij klassieke griekse tragedie, werd de koningsrol gespeeld door een architect: Aegon Talmink. Ik speelde die rol zelf. Dat was van tevoren helemaal niet mijn bedoeling geweest, maar we hadden niet meteen iemand voor die rol kunnen vinden. Hij was zowel charmant als vilein. Vriendelijk, maar zeer dominant. Blijkbaar had ik dat als enige voorhanden acteur in mijn register.

Ik denk dat juist omdat ik die rol zelf had gespeeld, ik meteen wist dat toen ik voor Oom Ludo een architect nodig had, Aegon Talmink dat kon zijn. We zouden een andere kant van hem zien. Niet die van de wrede, dominante huisvader, maar die van de werkende architect, de (soort van) kunstenaar. Op zijn manier innemend en welwillend.

Ik had na dat toneelstuk nooit gedacht dat ik ooit nog wat met dat personage zou doen. Maar ineens was het moment daar. Een mooie bijrol voor de architect.

Met andere personages weet ik wel van tevoren dat ik er nog niet klaar mee ben. Voor het toneelstuk Nomaden bedacht ik de excentrieke kunstenaar Mandero Zeno. In mijn hoofd hoort Zeno in het rijtje Damien Hirst, Jeff Koons, Anish Kapoor, Banksy. Gek genoeg kende ik die kunstenaars nog niet allemaal toen ik hem bedacht. Ik had Christo en Warhol in mijn hoofd en dacht: ‘het kan veel gekker en veel, veel extremer’. Tegen de grens van het betamelijke. De grens van het mogelijke. De grens van het voorstelbare. Conceptueel en grensoverschrijdend.

In Nomaden wordt door de personages gespeculeerd dat hun hele verblijf en samenzijn een conceptueel kunstwerk van Zeno’s hand is. De kunstenaar zelf verschijnt niet ten tonele. Na dat stuk was ik niet klaar met Zeno. Hij speelde een paar jaar later een rol in een moordspel. Ik schreef het korte verhaal ‘De laatste vernissage’, waarin hij van zijn overlijden een kunstwerk maakt. Maar zelfs dat verhaal was niet het einde.

In het verhaal van Oom Ludo had ik een kunstexpositie nodig. In een boek dat mede gaat over hoe je naar de wereld kijkt, moest er voor mij ook naar kunst gekeken worden. En de oude beelden in het parkje, beelden uit de neoromantiek, waren niet genoeg. Daar moest iets aan moderne conceptuele kunst tegenover staan.

En daar was Mandero Zeno. Niet eens heel gepland. Hij was er ineens en wilde niet meer weg. En ik ontdekte nieuwe dingen over hem. Dat hij naar een witte muur kan staren alsof hij gelijktijdig de hele wereld ziet en de grote Nietzscheaanse afgrond instaart. En nog veel meer, maar dat mag u zelf ontdekken. Met Mandero Zeno ben ik denk ik ook na Oom Ludo nog niet klaar. Denk ik. De tijd zal het leren.

Het is aan u

Dit zijn maar twee bijrollen in de wereld van Oom Ludo. Er zijn er talloze, grote en kleine. Ik kan er nog veel meer over zeggen en vertellen, maar dat is meer het domein van een leesclub of een college literatuurwetenschap, dan voor een boekpresentatie.

Ik heb gezegd wat er ter introductie over te zeggen valt. Het is nu verder aan de lezer. Het is aan u.

p.s. linkjes om Oom Ludo te kopen staan hier.